Maandag 6 november 2006 | Stof, zweet en blaren
Vanmorgen denk ik niet meer aan de dode katten, al mijn aandacht gaat naar wat komen zal. Hoe zal mijn tweede werkdag verlopen? Zal ik weer afgepeigerd naar huis rijden en vanavond niet meer uit mijn zetel geraken? Zal het hetzelfde werk zijn als vrijdag? Zal ik morgen terug mogen/ willen/kunnen komen? Zal ik vandaag met iemand op het werk een gesprek kunnen aanknopen? Vrijdag vertrok ik met nieuwsgierigheid. Vandaag, het moet gezegd, met een klein beetje schrik. Want vandaag zal van mij verwacht worden dat ik minstens even goed presteer. Elke dag moet ik mijn volgend dagcontract verdienen en dat zorgt voor onzekerheid.
Het valt meteen op dat er nieuwe gezichten zijn. Mijn twee collega's van
vrijdag zijn niet te zien; Harry zei toen dat hij vandaag verlof zou nemen,
maar van de andere, de oudere interimmer van wie ik nog altijd de naam
niet ken, weet ik niets. Ik kom terecht in een ander team met een Jo als
teamleider, een jonge gast met een oorring en een blonde broskuif. Hij is
een supporter van Antwerp.
Ik heb twee interimmers als compagnons vandaag. Terwijl Jo alles
klaarzet heb ik de tijd om even met hen te praten. Bjorn, een dertiger,
vertelt me dat hij zijn slagerszaak in Antwerpen heeft moeten sluiten
wegens de concurrentie van grote ketens. Hij is daarna voor zo'n keten
gaan werken maar was niet tevreden over de verloning. De lonen in de
voedingssector zijn niet hoog. Toch deed hij nog een examen om bij
Colruyt aan de slag te kunnen. Maar hij bleek kleurenblind, en de examinatoren
vonden dat hij niet voldoende in staat was bedorven vlees te onderscheiden
van vers. Dat was meteen het einde van zijn slagerscarrière,
daarom begon hij als interimarbeider. Hij werkt nu al enkele weken voor
Katoen Natie.
Voor Pascal, jonger en zwaarder van postuur dan Bjorn, is het de eerste
dag op deze site. Vrijdag was hij opgeroepen voor werk op kaai 1227, maar
daar waren ze niet op de hoogte gebracht van zijn komst. Ze boden hem
toch een karwei aan maar dat zou dan zonder verzekering zijn. 'Niks van!'
had Pascal daarop gezegd, en hij was terug naar huis gereden. De visie van
Pascal op interimwerk is heel herkenbaar voor mij: hij klaagt erover dat
je pas een dag op voorhand weet of en waar je werk hebt. Hij heeft het
interimkantoor dan ook duidelijk gemaakt dat hij daar niet voor te vinden
is, dat hij alleen zou komen werken als hij de garantie kreeg een week op
dezelfde site te kunnen blijven.
Jo, de teamleider, valt best mee. Hij doet de moeite onze voornaam te
vragen en te gebruiken, hij geeft vooraf wat aanwijzingen en uitleg, betrekt
ons bij de verdeling van het werk en antwoordt op de vragen. Het werk
van vandaag is een variatie op hetzelfde thema: wit poeder uit drums van
50 kilo overbrengen naar zakken van 25 kilo. Vandaag heet het poeder
ethanox. 'Antioxidant' staat er op de labels van de drums. Aan het order is
hetzelfde veiligheidsblad geniet als vorige vrijdag. Ik ben blij vast te stellen
dat we het tijdperk van de mechanisatie hebben betreden, want er zal
gewerkt worden met een afvulmachine en een stikmachine. Hopelijk zal
daardoor het werk wat minder zwaar zijn.
De afvulmachine is een grote metalen trechter waarin het witte poeder
uit de drums wordt gegoten. Onder aan de trechter bevindt zich een hendel
waarmee je min of meer het debiet kan regelen; daaronder staat een
weegschaal om de zakken af te wegen. Als ze gevuld zijn, gaan de zakken
op de korte lopende band van de stikmachine om daar met touw afgesloten
te worden. Dan worden de zakken in vijf lagen op een pallet gestapeld. We
werken met hetzelfde pak en maskertje als vrijdag.
Jo zorgt voor de aanvoer van drums. Met een vorkheftruck (VHT)
brengt hij ze op de geschikte hoogte om ze in de trechter te kunnen leeggieten.
Hij is ook degene die de zakken dichtstikt en stapelt, en de volle
palletten wegvoert. Pascal, Bjorn en ik zijn om de beurt gieter, hakker of
afvuller.
Het gieten is het minst belastende werk: wanneer de trechter leegloopt
kantel je telkens een nieuwe drum van 50 kilo en klopt er dan het aaneengekoekte
poeder uit. Tussendoor kun je wat bekomen van de inspanning
en rondkijken.
Hakken is al heel wat lastiger: met een metalen staaf moeten de brokken
poeder die in de trechter terechtkomen zo fi jn mogelijk gehakt worden,
anders geraken ze niet door het gat en nemen ze te veel plaats in in de
zakken. Het is een stoffi g werk dat de rug zwaar belast. Het zweet loopt
van ons gezicht. Ik houd er ook vier blaren aan over op mijn rechterhand,
ondanks de handschoenen. De rug krijgt het zwaar te verduren door de
werkhouding: staande op een ladder, constant voorovergebogen. Zowel
rug als blaren zullen me morgen nog parten spelen, vrees ik.
Het afvullen is minder zwaar maar vergt wat oefening en handigheid.
Het probleem is dat je een arm te kort komt: de rechterarm bedient de
hendel en je houdt enkel je linkerarm over om te proberen de zak mooi
onder het gietgat te houden. Dat is niet eenvoudig want het poeder valt
niet mooi gelijkmatig naar beneden, zoals je kan verwachten bij droog zand
of kristalsuiker, maar in stukken en brokken en soms als een plotselinge
stortvloed, zodat je de controle over de zak wel eens kwijtraakt. Het is in
het begin niet eenvoudig om de stortvloed te doen ophouden zodra de
weegschaal 25 kilo aangeeft. Jo vertelt me dat er een fout op mag zitten van
0,08 kilo. Minder dan 24,92 of meer dan 25,08 betekent dus: bijscheppen
of afhalen.
Het duurt een tijdje vooraleer ik het juiste ritme te pakken krijg, maar
op de duur begin ik de hendel te bedienen als een laborant zijn pipet: ik
slaag erin de schep verschillende zakken lang terzijde te laten, en de 25
kilo haast perfect te passen met enkel de hendel. Maar er zijn ook momenten
waarop ik de controle over de zak verlies zodat een deel van het
poeder op en naast de weegschaal terechtkomt. Hopelijk zal de pijnlijke
rechterschouder die ik overhoud aan de zware hendel me vannacht niet
herinneren aan mijn werk.
Jo is niet tevreden over het werktempo. Tegen de middag zijn we twee
ton achter op de tijdsplanning. Bovendien krijgt Pascal het benauwd tijdens
het hakken, hij wordt er duizelig van en moet even naar buiten. Gelukkig
voor hem is het net middagpauze. Na het eten is hij er weer bovenop. 'Suikertekort',
denkt hij zelf.
Tijdens de pauze loop ik even de bureaus binnen om aan Johan te vragen
of hij morgen op mij rekent. 'Wat is uw naam ook weer? Van Bever? Nee,
die staat niet op het werkrooster voor morgen.'
Met gemengde gevoelens ga ik weer naar buiten. Een rustdag is wel
aanlokkelijk, maar dat betekent ook dat ik misschien opnieuw moet gaan
solliciteren. En iedere dag zonder werk is een dag zonder salaris. Ik vraag
me af of het interimkantoor nu zelf iets voor me zal zoeken. Misschien
op de 1227? Misschien in een ander bedrijf? Dat laatste wellicht niet, het
interimkantoor lijkt me helemaal toegespitst op Katoen Natie.
Op de weg terug naar de kantine passeer ik een ingelijst tekstje van de
hand van Fernand Huts, de topman van Katoen Natie. Ik vraag me af hoe
de baas zich zou voelen als hij dagelijks bij iemand moest vragen of hij de
volgende dag mag terugkomen. Hoe zou hij reageren als men hem dan
nonchalant zijn naam zou vragen en als die dan niet op het lijstje zou staan?
Our people make the difference, luidt het bedrijfsmotto. Maar Huts vermeldt
er niet bij dat een groot deel van zijn arbeiders niet behoort tot our people,
het zijn huurlingen van de uitzendbureaus.
Een half uurtje later sta ik weer te hakken en te vullen als een bezetene.
Pascal beperkt zich tot gieten, Bjorn en ik vullen en hakken afwisselend. Jo
toont me hoe de stikmachine werkt. Hij zegt erbij dat dat handig kan zijn
voor een volgende keer. Welke volgende keer? Weet Jo niet dat ik niet op
de lijst sta voor morgen? Waarop baseert Johan zich dan om te bepalen wie
mag blijven en wie niet? Ik veronderstelde dat de teamleider ons beoordeelde
op snelheid en motivatie. Het is me een raadsel.
Uiteindelijk wordt dat raadsel opgelost. 'Wat is uw familienaam ook
weer?' vraagt Jo opeens. Hij wordt zenuwachtig als ik hem antwoord, en
wenkt me om hem even te volgen. Ver van de twee andere interimmers
biecht hij me op dat hij zich van naam vergist heeft, en dat ik morgen de
dagdienst heb. Of ik dus straks nog even bij Johan kan passeren. En of ik
het stil wil houden, hij zegt er niet bij voor wie of waarom. Ik knik wat
ongemakkelijk.
Aan het einde van de dag staat Pascal samen met mij bij Johan. Hij vraagt
of hij morgen verwacht wordt. Het antwoord is negatief. 'Ze zullen nog
wel bellen van het interimkantoor', rondt Johan het korte gesprek af. Ik
moet me bedwingen om mijn verontwaardiging niet te tonen. Pascal, de
strijdlustige interimmer, de sympathieke gast die het net niet uithield tot
aan de lunchpauze: één dag heeft hij gekregen om zich te bewijzen. En nu
verdwijnt hij weer: op naar de volgende job!
Nadat Pascal teleurgesteld vertrokken is, vraag ik Johan of er voor mij
nog iets veranderd is. 'Wat is nu weer uw naam?' Van Bever. 'Ja, dagdienst.'
En voor de rest van de week? 'Dat kan ik nog niet zeggen.'
Het liefst van al wil ik thuis in de zetel ploffen, maar ik krijg het van mezelf gedaan verder aan mijn dagboek te schrijven. Ik neem ook de tijd om informatie te zoeken over de stof waarmee we vandaag gewerkt hebben, ethanox. De fabrikant is Albemarle Corporation, USA, en als antioxidant wordt die stof toegevoegd aan polymeren, om oxidatie te vermijden en op die manier te zorgen voor betere weerstand tegen veeleisend langetermijngebruik. Ook bij ethanox wordt gewaarschuwd voor ernstig gevaar op stofexplosie, en raadt men aan beschermende kledij te gebruiken, maar over gevolgen van langdurige blootstelling of eventuele kankerverwekkende eigenschappen is er geen enkele informatie. Zoek ik wel op de juiste plaatsen?