Structurele onderfinanciering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Op 16 maart 1994 was ik, samen met collega Paul Galand, corapporteur in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement van het 'Eerste Verslag van de Staat van Armoede in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest'. Een citaat van een minister tijdens de commissie (Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, document B-56/1-93/94): 'Een efficiënte strijd tegen de armoede kost geld. Het probleem is dus niet te weten of we het vraagstuk kunnen oplossen. De middelen ontbreken nu eenmaal om er het hoofd aan te bieden. Zelfs al vinden sommigen hierin een gemakkelijk excuus om maar niets te doen.'

In december 2005 kon men de volgende paragraaf aantreffen in een krant: 'De onderhandelingen binnen de Brusselse Regering over de begroting 2006 zijn geblokkeerd. De ministers kunnen moeilijk tot een akkoord komen omdat in feite de financiële middelen ontbreken. Vooral de gevraagde extra middelen van 200 miljoen euro voor de renovatie van een gedeelte van de sociale woningen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn onderwerp van discussie.'

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is vanaf zijn oprichting in 1989 zwaar ondergefinancierd en de situatie is er, enkele staatshervormingen later, zeker niet op verbeterd. Neem bijvoorbeeld de verdeling voor 2006 van het gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting die door de federale overheid over de drie gewesten wordt verdeeld. De personenbelasting is een rijksbelasting die op uniforme wijze in heel België wordt geheven en waarvan ongeveer 35% wordt doorgestort aan de gewesten. Uitgangspunt daarbij is dat ieder gewest uit de voorziene pot dat gedeelte krijgt dat op zijn grondgebied wordt geïnd. Hiervan worden een aantal bedragen afgetrokken die te maken hebben met overgehevelde bevoegdheden. Ten slotte is er een 'solidariteitsmechanisme' ingebouwd. Het eindresultaat spreekt boekdelen: het doorgestorte bedrag per inwoner voor het jaar 2006 voor:

Brussels Hoofdstedelijk Gewest 734,67 euro
Vlaanderen 838,76 euro
Wallonië 921,51 euro

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met al zijn verplichtingen als Hoofdstad van Europa, van België, van Vlaanderen en van de Franse Gemeenschap (inzake veiligheid, infrastructuur, openbaar vervoer, politie-uitgaven voor manifestaties, enz.), met zijn centrumopdracht inzake cultuur, onderwijs en gezondheidszorgen voor Vlaams- en Waals-Brabant, krijgt veruit het minste per inwoner. Wallonië profiteert maximaal van het solidariteitsmechanisme. Indien het Brussels Hoofdstedelijk Gewest per inwoner het gemiddelde van Vlaanderen en Wallonië zou krijgen - hetgeen een redelijke deal zou zijn - zou dit voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een jaarlijkse meerinkomst van bijna 150 miljoen euro betekenen.

Het povere resultaat van Brussel heeft natuurlijk te maken met de almaar dalende opbrengst van de personenbelasting in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: mensen met betere inkomens verlaten Brussel voor de groenere rand terwijl de groep van lagere inkomens steeds groter wordt door de stijgende armoede. Zo wordt niet alleen de gemiddelde Brusselaar armer maar wordt ook het Brussels Hoofdstedelijk Gewest relatief gezien steeds armer. Paradoxaal genoeg is dit resultaat totaal in strijd met het bruto regionaal product (totaal van goederen en diensten dat in een gewest wordt geproduceerd) per inwoner. Voor het jaar 2003 geeft dit het volgende resultaat:

Brussels Hoofdstedelijk Gewest 51.680 euro
Vlaanderen 25.680 euro
Wallonië 18.670 euro

In Brussel wordt dus per inwoner gemiddeld tweemaal meer geproduceerd dan in Vlaanderen! Men kan zich de vraag stellen waarom juist de personenbelastingen, die geïnd worden op het grondgebied van een gewest, voor een gedeelte worden teruggestort. Waarom bijvoorbeeld niet een gedeelte van de vennootschapsbelastingen terugstorten? Deze laatste staan immers in verhouding tot wat geproduceerd wordt op het grondgebied van het gewest in kwestie en zijn eveneens gerelateerd aan de globale infrastructurele kosten die een belangrijke economische activiteit voor een gewestelijke overheid met zich meebrengt.

In het huidige systeem wordt een gewest met gemiddeld rijkere inwoners steeds rijker… en een gewest met gemiddeld meer arme inwoners steeds armer. Omgekeerde solidariteit! Vlaanderen zal in 2009 geen schulden meer hebben… Zonder grondige ommekeer van de financieringsmechanismen zal Brussel voortdurend armer worden, terwijl de economische productie per inwoner er tweemaal groter is dan in Vlaanderen.
Deze omgekeerde solidariteit vindt haar verklaring in het feit dat pendelaars de vergoeding (of het loon) voor hun prestaties naar huis, dus naar hun gewest meenemen en dat ze daarvoor in Vlaanderen of in Wallonië belast worden, niet in het gewest waar ze hun loon verdiend hebben.

De problematiek van de (her)financiering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het voorwerp geweest van een uitvoerige studie in 1999. Dezelfde studie werd geactualiseerd door Géraldine Van Der Stichele in december 2003. De cijfers die ik verder in dit betoog gebruik, komen uit de recentste versie.
In de studie wordt becijferd dat het bovenvermelde mechanisme van inning van de personenbelasting op de woonplaats en niet op de werkplaats voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest neerkomt op ongeveer 650 miljoen euro aan gederfde inkomsten. Er worden ook allerlei berekeningen gemaakt van de kosten die de Brusselaars moeten betalen voor de dienstverlening die de 362.000 pendelaars en de 150.000 à 250.000 dagelijks andere bezoekers (studenten e.d.) genieten: kosten voor het openbaar vervoer (een metroticket komt overeen met een derde van de kostprijs), voor het wegennet, voor de veiligheid.

Enerzijds kosten de nationale en internationale verplichtingen een bom geld aan Brussel. Anderzijds worden allerlei inkomsten gederfd zoals de al vermelde personenbelasting van de pendelaars. Maar ook de Europese ambtenaren betalen geen inkomstenbelastingen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Geraamd verlies: 75 miljoen euro. Ook allerlei ramingen van zogenaamde externe meerkosten worden becijferd. Men kan natuurlijk stellen dat een en ander ook bijdraagt aan de economische welvaart van Brussel, bijvoorbeeld de tewerkstelling gecreëerd door de aanwezigheid van vele openbare instellingen en van Europa in Brussel. Het probleem is en blijft dat, door de bestaande verdelingsmechanismen, het budget van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest daardoor geen meerinkomsten heeft (geen deel van de bovenvermelde vennootschapsbelastingen) maar wel veel meer uitgaven. En om de strijd te kunnen voeren tegen de enorme sociale uitsluiting zijn belangrijke financiële middelen nodig.

Ter afronding van dit ingewikkeld financieel verhaal geven we nog een aantal cijfers over de kost van de wegeninfrastructuur en het openbaar vervoer in Brussel. Van het wegenverkeer binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nemen 362.000 pendelaars 38% voor hun rekening, waarvan 71,5% vanuit Vlaanderen en 28,5% vanuit Wallonië. Het openbaar vervoer wordt voor 21,1% gebruikt door pendelaars waarvan 55,5% Vlaamse en 44,5% Waalse.

Als men de netto kostprijs (dus de kosten na aftrek van de inkomsten) van de wegeninfrastructuur en van het openbaar vervoer omrekent, rekening houdend met de vermelde percentages, komt men volgens bovenvermelde studie (cijfers van 2002 + 7% indexatie) tot de volgende tabel voor 2006:

In euro Vlaamse pendelaars Waalse pendelaars Totaal
Openbaar vervoer 45.000.000 17.500.000 62.500.000
Wegeninfrastructuur 49.500.000 38.000.000 87.500.000
Totaal 94.500.000 55.500.000 150.000.000

In 2006 zullen de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dus 150 miljoen euro betalen om de pendelaars te laten rijden met het openbaar vervoer en hen gebruik te laten maken van de Brusselse wegeninfrastructuur zonder dat de bestaande verdelingsmechanismen daar enige inkomsten tegenover stellen.

Volledigheidshalve moeten we hier vermelden dat sinds 1993 de investeringskosten voor een aantal infrastructuurwerken van nationaal en internationaal belang (Koning Boudewijnstadion, Zuidstation, Koninklijk Park, Belliardtunnel, Atomium…) door de nationale overheid betaald worden in het kader van een samenwerkingsakkoord (Beliris genaamd), en dit a rato van gemiddeld 60 miljoen euro per jaar over de voorbije 12 jaar. Maar ook deze middelen dragen niet bij aan de bestrijding van de armoede, al is in de laatste voorstellen toch de bouw van wat sociale woningen opgenomen.