Woord vooraf
Prof. dr. Danny Wildemeersch - Hoogleraar sociale pedagogiek K.U.Leuven en K.U.Nijmegen
Het pomphuis van de 21ste eeuw is een belangwekkend boek. De auteurs stonden méér dan twintig jaar geleden mee aan de wieg van nieuwe ontwikkelingen in de volwasseneneducatie. Het was een tijd van groot maatschappelijk en pedagogisch optimisme. De volwassenen analfabeet werd ontdekt. Lees- en schrijfgroepen schoten als paddestoelen uit de grond. Ze mobiliseerden honderden vrijwilligers en - op een bescheiden schaal - ook professionals. De beroepskrachten staken hun nek uit. De toevallige videoband die uit die tijd bewaard is gebleven, laat een typische vormingswerker zien: lang haar en baard, alternatieve kledij, kritisch taalgebruik, druk experimenterend met niet-schoolse vormen van alfabetisering. Vandaag de dag zijn deze lees- en schrijfgroepen in belangrijke mate geprofessionaliseerd. De alternatieve voorgeschiedenis wordt wat ongemakkelijk weggemoffeld. Het alfabetiseringswerk is opgenomen in goed georganiseerde, nogal schoolse instellingen voor basiseducatie (in Vlaanderen) of maakt deel uit van de grootschalige Regionale Opleidingencentra (in Nederland). De verzorgingsstaat heeft zijn werk gedaan.
Een gunstige ontwikkeling zou je zo denken: weg met het amateurisme, leve de professionaliteit. De auteurs zijn daar niet zo zeker van. Niet dat ze nostalgisch verlangen naar de pionierstijd. Toch stellen ze vragen bij de huidige ontwikkelingen. Waarom wordt de basiseducatie zo nadrukkelijk een instrument van een arbeidsmarktbeleid? Is er eigenlijk nog ruimte voor andere functies van educatie? Moet het leerproces zo nodig gestroomlijnd worden vanuit veralgemeende eindtermen, omvattende kwalificatiekaders en gestandaardiseerde leerroutes? Hebben de deelnemers daar echt baat bij, of worden ze op die manier vooral gedisciplineerd? Voor dat soort vragen is er momenteel nauwelijks ruimte. De doelen liggen vast. Het komt er nu op aan om de leerwegen te optimaliseren, in het belang van de emancipatie van de deelnemers, zo luidt het.
Toch blijft er bij vele professionals iets knagen. Dit is wat de auteurs in dit boek willen ter sprake brengen. Ze doorbreken de 'pensée unique' die zo stilaan is ontstaan op de niveaus waar beslissingen worden genomen. Ze verkennen in de breedte en graven in de diepte. Ze zetten de concrete ontwikkelingen binnen één specifieke sector in een breder perspectief: dat van de actieve welvaartsstaat, van een globaliserende economie, van dominantie van neoliberale ontwikkelingen. Ze kijken terug in de geschiedenis en vragen zich af hoe en waarom arbeid en disciplinering hand in hand gingen in vroegere tijden. Ze gebruiken hierbij een provocerend beeld: dat van het pomphuis. Zo nodigen ze ons uit om vergelijkingen te maken tussen de armenzorg van toen en de sociale activering van nu. Dit is toch wat je kunt verwachten van professionals die zich met educatie bezighouden? In vele theorieën van volwasseneneducatie en organisatie-ontwikkeling worden pleidooien gehouden voor 'double loop learning', naast 'single loop learning'. Single loop learning heeft te maken met het optimaliseren van leerprocessen. Double loop learning gaat over het bevragen van de uitgangspunten van waaruit men professioneel bezig is. Het bevragen van doelen en achtergronden moet een constante zorg zijn om een eenzijdige instrumentele fixatie te voorkomen. We zijn het in theorie hierover allemaal eens. Waarom passen we die theorie dan ook niet toe in de concrete situatie van beleid en uitvoering van de educatie, zo vragen de auteurs zich af.
Toch zijn ze niet uitsluitend bezig met de grote context-vragen. Ze zoemen in op concrete processen in de leergroepen. Ze vertellen boeiende, soms ontroerende verhalen uit de praktijk. Over de ongelooflijke creativiteit en betrokkenheid van begeleiders én deelnemers bij het gezamenlijk vormgeven aan een dialogaal leerproces. Schitterende voorbeelden worden gegeven over hoe een contact ontstaat met niemand minder dan Paul De Wispelaere. Hoe de deelnemers respect afdwingen bij deze grote auteur. Hoe deelnemers en begeleiders samen tentoonstellingen organiseren en op reis gaan naar Amsterdam, Brussel en Parijs. Hoe ze multiculturele verschillen binnen en tussen leergroepen bespreekbaar maken. Hoe op die manier het leren voor geletterdheid een gesitueerd en gecontextualiseerd proces wordt. Hierbij sluiten ze ongegeneerd aan bij de klassieke emancipatorische theorieën uit de jaren zestig en zeventig. Voor hen is Paolo Freire niet de naïeve beeldenstormer over wie vandaag de dag een beetje meewarig moet worden gedaan. Hij is integendeel een onuitputtelijke bron van inspiratie, discussie en reflectie die meehelpt de concrete praktijk vorm te geven.
Maar ze blijven niet steken in de theorieën van de 'founding fathers'. Op verrassende wijze sluiten ze aan bij hedendaagse theorieën die het belang en de betekenis van participatie voor het leren beklemtonen. Zo vertolken ze ideeën die vergelijkbaar zijn met theorieën over 'Communities of Practice', of het creëren van 'krachtige leeromgevingen' die momenteel in de internationale literatuur sterk in de belangstelling staan. Daar wordt leren niet beschouwd als een geïsoleerde activiteit die voorbereidt op het reële leven. Leren maakt integendeel integraal deel uit van een actief proces van participatie aan het (arbeids)leven. Deelnemers aan 'praktijk- en leergemeenschappen' worden opgevat als 'competente actoren' die een bijdrage kunnen leveren aan de praktijk en niet in de eerste plaats als mensen die tekortschieten of nog van alles moeten leren. Vanuit deze opvatting wordt ook duidelijk hoe onproductief en oninteressant het leren van volwassenen is wanneer het buiten de reële context van het dagelijkse leven wordt gehouden, wanneer mensen op het zijspoor van de educatie worden geparkeerd zonder dat ze kansen krijgen om aan het reële (arbeids)leven te participeren.
Het zal ondertussen wel duidelijk zijn dat ik dit een relevant boek vind. Het is niet altijd even makkelijk. De auteurs nemen de lezers ernstig en dagen ze daarom uit om verder te kijken dan hun neus lang is. Het is zinvol omdat het de hedendaagse (maatschappelijke) ontwikkelingen niet als vanzelfsprekend aanvaardt. Het is relevant omdat het aansluit bij discussies en zoekprocessen die momenteel in de volwasseneneducatie onvermijdelijk aan de oppervlakte komen. Degenen die deze discussies belemmeren dragen een grote verantwoordelijkheid voor de sector. Zo blijkt bijvoorbeeld in de Nederlandse Regionale Opleidingscentra opnieuw een grote behoefte te bestaan aan reflectie over achtergronden en uitgangsvragen. Discussies en experimenten over de relatie tussen algemene vorming en beroepsopleiding zijn er volop aan de gang. De inzichten die hier worden aangereikt, kunnen deze discussie zeker stofferen. Maar het boek gaat verder dan de (volwassenen)educatie. Het is van belang voor de theorie en de praktijk van welzijnswerk, sociaal-cultureel werk, preventiewerk en richt zich daarmee tot een brede waaier van sociaal-agogische en sociaal-wetenschappelijke opleidingen. En niet te vergeten: het nodigt uit tot reflectie en discussie over een modieuze term als de 'actieve welvaartsstaat'. Zo plaatst het zich in het hart van het hedendaagse debat over de toekomst van onze samenleving.