EPO op Facebook EPO op Facebook

extra info · Hoop en vooruitzicht ·


1. Jaar 514: globalisering voor wie?

[ De noten vindt u in de gedrukte versie. ]

Het doen en laten van de mensheid verloopt langs complexe, eindeloos verscheiden en onvoorspelbare paden. Nu en dan vinden er gebeurtenissen plaats die gezien worden als scherpe keerpunten in de geschiedenis. De afgelopen jaren hebben we er enkele mogen meemaken. In het Westen is het bijna een platitude te stellen dat na 11 september 2001 niets meer hetzelfde zal zijn. Ook de val van de Berlijnse Muur in 1989 kreeg een dergelijke hoge status. Er valt veel te zeggen over deze twee gebeurtenissen, zowel over de mythe ervan als over de realiteit. Maar met mijn verwijzing naar het 514de jaar heb ik natuurlijk iets heel anders in gedachten: het jaar 1492, dat de wereldgeschiedenis ongetwijfeld in een radicaal nieuwe richting stuurde, met ontzagwekkende en blijvende gevolgen.

Zoals we weten, baanden de reizen van Columbus de weg voor de Europese verovering van het westelijk halfrond. Dat had vreselijke gevolgen voor de inheemse bevolking en, niet veel later, voor de Afrikanen die er naartoe gebracht werden in een van de meest afgrijselijke periodes uit de geschiedenis. De reizen van Vasco da Gama brachten Afrika en AziŰ in contact met 'de wrede onrechtvaardigheid van de Europeanen', om de berouwvolle woorden van Adam Smith te gebruiken. Daarmee verwees Smith vooral naar de vreselijke misdaden van Groot-BrittanniŰ in India, die ook in zijn tijd al duidelijk genoeg waren.

Ook in 1492 breidden christelijke veroveraars hun barbaarse heerschappij uit naar de meest geavanceerde en tolerantste beschaving in Europa, Moors Spanje. Daarbij dwongen ze joden te vluchten of zich te bekeren tot de cultuur van de inquisiteurs, en begonnen ze een etnische zuivering onder de moslimbevolking (de Moren). Een groot deel van de klassieke kennis die de Moren bewaard en verder ontwikkeld hadden, werd vernietigd - net zoals bij de Mongoolse invasie van Irak twee eeuwen eerder, of de nog ergere vernietiging van de culturele schatten tijdens de Amerikaans-Britse invasie van Irak die nog steeds zijn afschuwelijke tol eist.1 De verovering door Europa en zijn erfgenamen van het grootste deel van de wereld, is sindsdien het dominante thema van de wereldgeschiedenis geweest.

De redenen voor Europa's opmerkelijke militaire successen zijn bekend. Een daarvan was de Europese vuilheid, die epidemieŰn veroorzaakte die de veel gezondere bevolkingen van het westelijk halfrond uitdunden.2 Naast die ziektes 'was het door hun militaire superioriteit, eerder dan door welk sociaal, moreel of natuurlijk voordeel ook, dat de blanke volkeren van de wereld erin slaagden de eerste globale hegemonie in de geschiedenis, hoewel van korte duur, te creŰren en te beheersen', merkt de militaire historicus Geoffrey Parker op.3 Van Amerika tot Zuidoost-AziŰ, gaat hij verder, waren de volkeren verbaasd over de wreedheid van de Europeanen en 'ontzet door de allesvernietigende furie van de Europese oorlogvoering'. De slachtoffers waren allesbehalve pacifistische maatschappijen, maar de Europese wreedheid was geheel nieuw, niet zozeer op technologisch vlak maar wel qua instelling. Parkers woorden 'hoewel van korte duur' zouden wel eens juist kunnen zijn, maar dan in een veel akeligere betekenis dan hij bedoelde. Sommige van de meest prominente en oordeelkundige strategische analisten in de Verenigde Staten waarschuwen voor een 'ultieme ondergang' of zelfs een 'apocalypse soon' als de Amerikaanse regering volhardt in haar agressieve militarisme4 - terwijl daarbovenop aan de horizon een door de mensheid veroorzaakte milieucatastrofe dreigt.

De hedendaagse kloof tussen Noord en Zuid - de rijke ontwikkelde landen en de rest van de wereld - is grotendeels een creatie van die wereldverovering. Geleerden en wetenschappers erkennen meer en meer de feiten die lang verborgen gingen achter imperialistische arrogantie. Zij ontdekken nu dat er ten tijde van de aankomst van de Europeanen, en lang daarvoor, op het westelijk halfrond sommige van 's werelds meest geavanceerde beschavingen gedijden. In het armste land van Zuid-Amerika, Bolivia, komen archeologen tot de bevinding dat in het oostelijke deel ervan een welvarende, gesofisticeerde en complexe maatschappij van misschien wel een miljoen mensen bloeide. In hun woorden was de site 'een van de grootste, vreemdste en ecologisch rijkste kunstmatige omgevingen op de planeet, met aangelegde wegen en kanalen, ruime en gestructureerde dorpen en een behoorlijke welvaart', waardoor een cultureel landschap ontstond dat 'een van mooiste werken is die de mensheid ooit heeft voortgebracht, een meesterwerk'. Tegen 1491 hadden de Inca's in de Peruviaanse Andes het grootste rijk ter wereld opgebouwd, groter in omvang dan de Chinese, Russische, Ottomaanse of andere rijken, veel groter dan om het even welke Europese staat, en met opmerkelijke artistieke, landbouwkundige en andere verwezenlijkingen.5

Een van de meest heuglijke ontwikkelingen van de laatste decennia is de heropleving van inheemse culturen en talen, en de strijd om politieke en gemeenschapsrechten. Vooral de verworvenheden in Zuid-Amerika zijn opvallend. In het hele halfrond en op andere plaatsen staan inheemse bewegingen op om aanspraak te maken op grondgebieden en andere burgeren mensenrechten die hen altijd ontzegd geweest zijn door repressieve, vaak moorddadige staten. Dit gebeurt zelfs in streken waar de inheemse gemeenschappen de verovering nauwelijks overleefden. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld, waar het bevolkingsaantal vˇˇr de eerste contacten met de Europeanen opliep tot zeven miljoen of meer, maar gereduceerd werd tot slechts enkele honderdduizenden in 1900.

Mijn eigen departement aan het MIT (Massachusetts Institute of Technology) heeft een belangrijke rol gespeeld in die heropleving, dankzij het buitengewone werk van de betreurde Kenneth Hale. Hij verrichtte belangrijk werk over mensenrechtenkwesties voor de inheemse volkeren van het Amerikaanse continent en AustraliŰ, en leverde fundamentele bijdragen tot de studie van hun talen en de taaltheorie. Maar bovenal haalde hij mensen met weinig onderwijskansen uit de indiaanse reservaten. In Massachusetts hielp hij hen met grote toewijding in het behalen van hun doctoraat in een zeer veeleisend programma. Het resultaat waren dissertaties over hun eigen talen die de academische norm in diepte en raffinement ruim overtroffen. De doctors keerden naar huis terug en richtten er educatieve en culturele programma's op. Verscheidene van die programma's deden de gemarginaliseerde gemeenschappen met succes opleven en hielpen hen meer rechten verwerven. Ik geef een spectaculair voorbeeld. Een van de belangrijkste talen in het New England van voor de verovering was het Wampanoag. De mensen die deze taal spraken werden bijna allemaal verdreven of vermoord, met een premie voor al wie de klus wilde klaren, terwijl degenen die zich overgaven en niet wilden vechten door de eerste Engelse kolonisten werden verkocht als slaven - mannen, vrouwen en kinderen.6 De laatst gekende spreker van het Wampanoag stierf een eeuw geleden. Hale en enkele van zijn studenten slaagden erin de taal te reconstrueren aan de hand van tekstueel en vergelijkend bewijsmateriaal. Hales belangrijkste medewerker was een Wampanoag vrouw, Jesse Little Doe, die de taal hielp reconstrueren en ze dan leerde. Op een herdenking van Hale bracht ze hem hulde in vloeiend Wampanoag. Ze had ook haar dochtertje van twee bij zich, de eerste moedertaalspreker van deze taal in een eeuw tijd. Er is een goede kans dat de cultuur en de gemeenschap weer zullen opleven en een plek vinden in de maatschappij. Dit is een model voor wat elders nog kan bereikt worden.

Aan de andere kant van de wereld ten tijde van de Europese veroveringen, waren China en India 's werelds grootste commerciŰle en industriŰle centra. Ze liepen ver vooruit op Europa op het vlak van openbare gezondheid en kenden waarschijnlijk ook meer gesofisticeerde, grotere marktsystemen en handelszones dan Europa. De levensverwachting in Japan lag wellicht hoger dan in Europa.7 Engeland probeerde met textiel en andere fabrikaten aan te klampen door van India en andere landen te 'lenen' op manieren die we nu 'piraterij' zouden noemen en die gebannen worden door internationale handelsovereenkomsten, opgelegd door de rijke staten onder het cynische voorwendsel van 'vrije handel'. De Verenigde Staten vertrouwden in grote mate op dezelfde mechanismen van 'piraterij' en protectionisme, net als andere ontwikkelde staten. De meest bewonderde Engelse piraat was Sir Francis Drake. De buit die hij meebracht 'kan met rede beschouwd worden als de bron van alle Britse buitenlandse investeringen', concludeerde John Maynard Keynes.8

Uiteindelijk nam Engeland een vorm van 'vrije handel' aan in 1846, nadat eeuwen van protectionisme en staatsinterventie in de economie het land een enorme voorsprong hadden gegeven op de concurrentie. Zo vernietigde Engeland de Indiase nijverheid met hoge invoerrechten en andere middelen, zoals het eerder al had gedaan in Ierland. De Verenigde Staten schakelden een eeuw later op vrije handel over, om gelijkaardige redenen als Groot- BrittanniŰ. Maar in beide gevallen was het engagement voor 'vrije handel' aan sterke voorwaarden onderhevig. Daar komen we later nog op terug.

In het algemeen konden Europa en zijn erfgenamen dankzij uitgebreide staatsinterventie en geweld in eigen land, en barbarij en opgelegde liberalisering in veroverde gebieden, uitgroeien tot rijke ontwikkelde maatschappijen. De veroverde gebieden werden de 'derde wereld', het Zuiden. Hoewel geschiedenis te complex is om gereduceerd te worden tot slechts een paar factoren, zijn dit toch wel enkele in het oog springende patronen.

De gevolgen zijn dramatisch, soms schrikwekkend. Neem nu bijvoorbeeld het armste land van het westelijk halfrond, Ha´ti, dat over enkele generaties misschien niet meer bewoonbaar is. Dit kleine land was waarschijnlijk de rijkste kolonie van de wereld, in grote mate de bron van Frankrijks welvaart. In 1789 produceerde Ha´ti 75 procent van de suiker in de wereld en was het wereldleider in de katoenproductie - de 'olie' van de vroege industriŰle revolutie - en leverde het ook andere belangrijke grondstoffen. De slaveneconomie van de grote plantages plunderde het land: bossen werden massaal gerooid en vruchtbaar land overbewerkt, een proces dat sindsdien verdergezet en uitgebreid werd door imperialistische beleidskeuzes. Franse schepen die huiswaarts keerden na een lading slaven afgeleverd te hebben, namen Ha´tiaans hout mee. De verwoesting van de bossen door de Franse overheersers, en later door de door armoede gedreven lokale bevolking, veroorzaakte gronderosie en verdere vernietiging. Na een brutale en verschrikkelijke strijd tegen de legers van Frankrijk en Groot-BrittanniŰ, die steun kregen van de Verenigde Staten, won de kolonie in 1804 eindelijk haar vrijheid. Het was het eerste vrije land van vrije mensen in het westelijk halfrond, twintig jaar nadat de slavenmaatschappij die nu de wereld domineert zich bevrijd had van Engeland.

De Ha´tianen betaalden een zware prijs voor de 'misdaad' van hun bevrijding. De VS weigerden deze gevaarlijke vrije maatschappij te erkennen tot in 1862, toen het - om dezelfde reden - ook Liberia erkende: slaven werden massaal vrijgelaten en men hoopte de VS te vrijwaren van aantasting door niet-blanken door hen te exporteren naar waar ze thuishoorden. Dat project ebde weg toen de middelen werden gevonden om een nieuwe vorm van slavernij in te voeren. Het criminaliseren van de zwarte zorgde voor een belangrijke bijdrage aan de Amerikaanse industrialisatie en ging door tot de Tweede Wereldoorlog, toen de oorlogsmachine nood had aan 'gratis arbeid'. Frankrijk legde een gigantische schadevergoeding op aan Ha´ti omdat het zich bevrijd had van de wrede Franse heerschappij. Het land zou die last nooit te boven komen. De beschaafde wereld was het ermee eens - en is dat nog steeds - dat de Franse strafmaatregel rechtvaardig was. Enkele jaren geleden vroeg de Ha´tiaanse president Jean-Bertrand Aristide beleefd of het geen tijd werd dat Frankrijk de Ha´tianen zou compenseren voor deze verpletterende schuld, of toch ten minste een beetje. Frankrijk was verontwaardigd en schaarde zich al snel achter Washington toen de VS de democratisch verkozen regering van Ha´ti in 2004 omverwierpen, om een zoveelste terreurbewind in deze gehavende maatschappij te installeren.9

De onmiddellijke gevolgen werden onderzocht door de rechtenfaculteit van de Universiteit van Miami. Die kwam tot de conclusie dat 'vele Ha´tianen, vooral degenen die in arme buurten wonen, nu leven in een onmenselijke nachtmerrie van angst en armoede. De armste Ha´tianen proberen te overleven in de cyclus van geweld die gevoed wordt door de Ha´tiaanse veiligheids- en rechtsinstituties'. In augustus 2006 publiceerde 's werelds meest toonaangevende medische magazine, The Lancet, een studie over schendingen van de mensenrechten tijdens de periode van februari 2004 - toen de regering omvergeworpen werd - tot december 2005. De onderzoekers vonden dat er in die periode circa achtduizend individuen (ongeveer twaalf per dag) vermoord werden, en dat seksuele aanrandingen de regel waren, in het bijzonder van kinderen. De gegevens daarover doen vermoeden dat in de hoofdstad Port-au-Prince alleen al 35.000 vrouwen en meisjes werden verkracht. Deze gruweldaden werden vooral toegeschreven aan criminelen, aan de Ha´tiaanse Nationale Politie en aan soldaten van de VN-vredesmacht. Slechts enkele misdaden waren de schuld van aanhangers van de Lavalaspartij van de verdreven Aristide. De studie kreeg geen aandacht in de Verenigde Staten, en heel weinig elders.10

Misschien de extreemste van de vele rampen die Ha´ti zijn overkomen sinds de onafhankelijkheid, was de invasie van Woodrow Wilson in 1915. De Amerikanen voerden toen in feite de slavernij opnieuw in, terwijl ze duizenden burgers vermoordden - 15.000 volgens de Ha´tiaanse historicus Roger Gaillard - en het land openzetten voor overname door de grote Amerikaanse multinationals. De verpletterde maatschappij werd in handen gelaten van een moorddadige, door de VS getrainde Nationale Garde die de belangen diende van de Ha´tiaanse elite - die beperkte kring van blanken en mulatten is zonodig nog roofzuchtiger dan de norm is in Latijns- Amerika en eigent zich regelmatig de hulp toe die naar het land wordt gestuurd. De invasie was een van de vele triomfen van wat de geschiedenis als ' Wilsoniaans idealisme' bestempelt.

De overname van Ha´ti door Amerikaanse bedrijven was een feit nadat het Ha´tiaanse parlement was ontbonden onder dreiging van de kanonnen van de Amerikaanse mariniers. Het parlement had namelijk geweigerd een door de VS geschreven grondwet te aanvaarden die deze 'progressieve' maatregelen toeliet. Toegegeven, de VS organiseerden wel een referendum waarin de Amerikaanse eisen werden goedgekeurd door 99, 99 procent van de 5 procent Ha´tianen die aan het referendum deelnamen. Dat de maatregelen progressief waren, werd overal aanvaard. Zoals het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken het verwoordde, waren de Ha´tianen 'een inferieur volk' en was het 'duidelijk dat als onze bezetting ten goede wilde komen aan Ha´ti en de vooruitgang van het land, het nodig was dat buitenlands kapitaal naar Ha´ti kwam... [en] er kon van Amerikanen niet verwacht worden dat ze hun geld staken in plantages en grote landbouwbedrijven in Ha´ti als zijzelf het land waaraan ze hun geld zouden uitgeven, niet konden bezitten'. Dus, uit een oprechte wens de noodlijdende Ha´tianen te helpen, verplichtten de Verenigde Staten hen onder de loop van het geweer Amerikaanse investeerders toe te laten hun land over te nemen in een 'onbaatzuchtige interventie', uitgevoerd zoals 'een goede vader het betaamt' met geen 'commerciŰle of andere voorkeursbehandelingen' voor onszelf (aldus The New York Times).

De terreur en verdrukking namen toe onder de heerschappij van de Nationale Garde en de Duvalierdictators. De elite voer er wel bij, ge´soleerd van het land dat ze hielp plunderen. Toen Reagan aan de macht kwam, brachten USAID en de Wereldbank programma's op gang die Ha´ti in het 'Taiwan van de Cara´ben' moesten omtoveren. Deze programma's verliepen geheel volgens de heilige principes van het relatieve voordeel: Haiti moest voedsel en andere basisgoederen importeren uit de VS terwijl het werkvolk, grotendeels vrouwen, in miserabele omstandigheden moest zwoegen in assemblagefabrieken van Amerikaanse eigenaars. Zoals de Wereldbank toelichtte in een rapport van 1985, moet in deze exportgeoriŰnteerde ontwikkelingsstrategie de binnenlandse consumptie 'beperkt worden zodat de nodige productiviteitstoenames omgezet kunnen worden in export', met de nadruk op 'de expansie van private bedrijven'. Steun voor het onderwijs moet 'geminimaliseerd' worden en als er al zulke 'sociale doelstellingen' zijn, moeten die zo vlug mogelijk geprivatiseerd worden. 'Private projecten met hoge economische opbrengsten moeten aangemoedigd worden' ten nadele van 'publieke uitgaven in de sociale sector'. En 'er zou minder nadruk moeten liggen op sociale doelstellingen die de consumptie verhogen'. De Taiwanese ontwikkelingsstaat daarentegen, vrij van enige buitenlandse controle, voerde een heel ander beleid. Taiwan mikte vooral op investeringen in de rurale gebieden om er de binnenlandse consumptie te verhogen en de stroom van boeren naar erbarmelijke krottenwijken in de stad te voorkomen. Dat laatste was het voor de hand liggende gevolg van het gedicteerde 'progressieve' beleid in Ha´ti - dat Ha´ti bleef en geen Taiwan werd. De latere rampen, de aardbeving van januari 2010 incluis, zijn voor een groot deel mensenwerk: ze zijn het gevolg van zulke beleidsbeslissingen als die hierboven en van andere sinds de Amerikaanse invasie van 1915. Het verwerpelijke beleid versterkte de rampen die de Fransen eerder in gang hadden gezet toen zij zichzelf verrijkten door hun rijkste kolonie te plunderen en te verwoesten.

De regering- Reagan was zeer tevreden over een 'bemoedigende stap vooruit' in Ha´ti in 1985: de wetgevende macht keurde er een wet goed die elke politieke partij verplichtte president-voor-het-leven 'Baby Doc' Duvalier te erkennen als de hoogste gezagsdrager van het land. De wet stelde de christendemocraten buiten de wet en gaf de regering het recht de rechten van elke andere partij zonder reden op te schorten. Dit succes van Reagans 'democratiebevorderende' programma's zorgde ervoor dat de VS-regering militaire hulp kon blijven bieden aan de wreedaardige en corrupte dictator die zijn land zo succesvol aan het democratiseren was. Reagans oordeel over de vooruitgang van de democratie was niet helemaal zonder grond: de wet werd goedgekeurd met een meerderheid van 99,98 procent, niet zo verschillend van de 99,99 procent onder het Wilsoniaans idealisme. Cynici zouden zeggen dat deze percentages het spectrum van door ons goedgekeurde keuzes weerspiegelen waarover de van ons afhankelijke staten beschikken naarmate hun binnenlands beleid van het ene uiterste in het andere omslaat.

Ha´ti's eerste vrije verkiezingen, in 1990, bedreigden de rationele programma's opgelegd door Washington en de internationale financiŰle instellingen. De arme meerderheid van het land betrad voor het eerst de politieke arena en verkoos, met een tweederdemeerderheid, haar eigen kandidaat, de populistische priester Jean-Bertrand Aristide. De overwinning kwam als een grote verrassing en een schok voor de waarnemers, die weinig aandacht hadden besteed aan de uitgebreide basisorganisaties in de krottenwijken en de heuvels. Iedereen ging ervan uit dat de door de VS gesteunde kandidaat Marc Bazin, een vroegere medewerker van de Wereldbank die de grondstoffen monopoliseerde en de volledige steun genoot van de rijke elite, gemakkelijk zou winnen. Bazin behaalde 14 procent van de stemmen. Tijdens Aristides korte ambtstermijn draaide de vluchtelingenstroom om: in plaats van te vluchten voor terreur en repressie en teruggestuurd te worden door de Amerikaanse kustwacht (of soms weggeleid naar Guantßnamo) - een schending van de internationale conventies over vluchtelingen - keerden de Ha´tianen in deze periode van hoop naar hun thuisland terug. Het Amerikaanse vluchtelingenbeleid paste zich aan: de nu weinige Ha´tiaanse vluchtelingen kregen asiel omdat zij vluchtten voor een democratische regering waar de VS tegen waren, en niet voor gruwelijke dictaturen die Amerika wel steunde. Aristides succesvolle financiŰle beheer en zijn afbouw van de opgeblazen bureaucratie werden alom geprezen door de internationale kredietinstellingen, die bijgevolg in hulp voorzagen. De situatie werd gevaarlijk: Ha´ti was op weg naar democratie, ontsnapte uit de greep van de VS, en voerde een beleid dat beantwoordde aan de noden van de verarmde bevolking in plaats van aan die van de rijke Amerikaanse bondgenoten.

Washington handelde onmiddellijk zoals het altijd doet in een dergelijk geval: de ontwikkelingshulp ging nu naar de door de zakenwereld geleide oppositie, terwijl met zogenaamde 'democratiebevorderende' middelen geprobeerd werd Arisitides regime te ondermijnen. Enkele maanden later, in september 1991, voltrok zich de geanticipeerde militaire coup, met de vermoedelijke deelname van de CIA. Dat laatste werd bevestigd door Emmanuel Constant, de leider van de terroristische groepering FRAPH (Front pour l'Avancement et le ProgrŔs Haitien), die duizenden burgers vermoordde. Constant werd later door de regering-Clinton beschermd tegen uitlevering aan Ha´ti, zeer waarschijnlijk omdat hij te veel wist. Vermoedelijk om dezelfde redenen confisqueerde de Amerikaanse krijgsmacht die president Aristide in 1994 opnieuw aan de macht moest helpen, 160.000 pagina's aan documenten die de regering-Clinton weigerde terug te geven aan het democratische bewind van Ha´ti - 'om vervelende onthullingen te vermijden' over Washingtons steun aan de militaire junta en zijn inspanningen om de democratie te ondermijnen, speculeerde Human Rights Watch. De junta installeerde een gruwelijk terreurbewind, dat gesteund werd door Bush senior en zelfs nog overtuigender door Bill Clinton, ondanks alle schijn. De handel tussen de VS en Ha´ti nam toe, een schending van het door de OAS (Organization of American States) uitgesproken embargo. Het oliebedrijf Texaco kreeg in alle stilte de toestemming om olie te leveren aan de militaire junta, officiŰle presidentiŰle richtlijnen ten spijt. Nu Ha´ti in handen was van een moordlustige dictatuur ten dienste van de rijken, keerde het Amerikaanse vluchtelingenbeleid weer terug naar haar normale beleidslijn.11

In 1994 vond Clinton blijkbaar dat de bevolking voldoende ge´ntimideerd was en dat Aristide ondertussen 'geciviliseerd' was door zijn Amerikaanse instructeurs. Clinton zond bijgevolg een krijgsmacht die de verkozen president weer voor enkele maanden in het zadel moest helpen. Maar onder strikte voorwaarden: hij moest een hard neoliberaal beleid voeren - zowat hetzelfde programma als de door de VS gesteunde kandidaat die Aristide in de verkiezingen van 1990 zo makkelijk verslagen had (en die in 1992 aan de macht werd gebracht door de junta en zijn rijke aanhang). Aristides inspanningen om het leger - een bittere vijand van de Ha´tianen sinds zijn ontstaan - te ontbinden, werden tenietgedaan. Ha´ti mocht ook op geen enkele manier zijn economie beschermen. De Ha´tiaanse rijsttelers zijn zeer efficiŰnt, maar kunnen niet op tegen de Amerikaanse agrobusiness die vertrouwt op enorme overheidssubsidies. Die subsidies zijn trouwens in grote mate te danken aan Reagan, die tot hogepriester van de vrije handel werd gekroond ondanks zijn extreem protectionisme en zijn staatsinterventie in de economie. Andere kleine bedrijven werden vernietigd door Amerikaanse dumpingpraktijken, die Ha´ti onmogelijk kon vermijden door de opgelegde voorwaarden van economische rationaliteit.

Dan kwam de terugkeer van Ha´ti's twee traditionele folteraars. Frankrijk en de Verenigde Staten wierpen de regering van 2004 omver, kidnapten de verkozen president (onder het mom van een 'redding') en stuurden hem weg naar Centraal-Afrika. De Verenigde Staten willen Aristide sindsdien niet alleen uit Ha´ti houden, maar uit het hele halfrond. Ha´ti had toen al de capaciteit verloren om in zijn eigen voedselbehoeften te voorzien, waardoor het zeer kwetsbaar werd voor de fluctuerende voedselprijzen.12

Aan wat volgde, is niets verrassends: een rapport van USAID uit 1995 waarschuwde dat het 'exportgedreven handels- en investeringsbeleid [dat Washington oplegde], de binnenlandse rijstteler genadeloos onder druk zal zetten'. Het beleid versnelde de vlucht naar de erbarmelijke krottenwijken, die zijn vreselijke afloop kende met de aardbeving van januari 2010 - een klassengebaseerde ramp, zoals vele andere, die vooral de armen raakte wier vreselijke levensomstandigheden hen bijzonder kwetsbaar hadden gemaakt (de rijken kwamen er met de schrik vanaf). Intussen ontmantelde het neoliberale beleid wat overbleef aan economische soevereiniteit en bleef het land in chaos achter. Bush II gooide nog olie op het vuur toen die om cynische redenen bijna alle internationale hulp aan banden legde, met de garantie op nog meer chaos, geweld en lijden.

In het voorjaar van 2008 braken er op verschillende plaatsen in de wereld rellen uit als reactie op de scherp stijgende voedselprijzen. De eerste vonden plaats in Ha´ti en Bangladesh, een betekenisvol toeval voor wie historisch perspectief heeft. De wanhopige schreeuw van de armen kreeg slechts even aandacht, maar zonder historische duiding. Een jaar later berichtte de Londense Financial Times dat het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties aankondigde zijn 'voedselhulprantsoenen te verminderen en sommige van de activiteiten stop te zetten omdat de donoren die in eigen land voor een fiscale crisis staan, hun bijdragen tot het fonds terugschroeven'. Onder de slachtoffers bevonden zich onder meer EthiopiŰ, Rwanda en Oeganda. De zware bezuiniging kwam er op een moment dat het aantal hongerigen de 1 miljard overschreed, een toename van 100 miljoen in de zes voorgaande maanden, terwijl de voedselprijzen stegen en schenkingen afnamen tengevolge van de economische crisis in het Westen.

In Bangladesh trok de krant New Nation zijn conclusies:
'Het is veelzeggend dat al biljoenen zijn gespendeerd om de grote financiŰle instellingen van de wereld op te lappen, terwijl van de in vergelijking kleine som van 12,3 miljard dollar die eerder dit jaar in Rome werd beloofd om de voedselcrisis aan te pakken, slechts 1 miljard dollar werd uitbetaald. De hoop dat tegen het einde van 2015 ten minste de extreme armoede uitgeroeid kan worden, zoals gepland in de millenniumdoelstellingen van de VN, lijkt even onrealistisch als altijd. Dat komt niet zozeer door het gebrek aan middelen maar door een gebrek aan oprechte bezorgdheid om de armen van de wereld.'

Het rapport van het Wereldvoedselprogramma over de tanende, toch al povere westerse inspanningen om deze groeiende ramp aan te pakken, kreeg in The New York Times welgeteld 150 woorden aandacht op een vergeten pagina, in de rubriek 'World Briefing'.13

Maar zo'n reactie (of het gebrek eraan) is niet ongewoon. Op de Werelddag voor de Bestrijding van Desertificatie en Droogte waarschuwde de VN dat woestijnvorming de levens van een miljard mensen bedreigt. Met die Werelddag wil de VN 'de wereldwijde desertificatie en droogte tegengaan door het publiek te sensibiliseren en de uitvoering van conventies over desertificatie bij de lidstaten te promoten'.14 De campagne werd niet vermeld in de Amerikaanse pers. Net als bij de herhaalde, alsmaar ergere catastrofes in Ha´ti, zijn dit niet zomaar natuurrampen. Er is een mensenhand in het spel, die gewoonlijk niet ver van huis te zoeken is maar die zich verbergt achter wat terecht 'opzettelijke onwetendheid' wordt genoemd.15

Op ongeveer hetzelfde moment publiceerde de secretaris-generaal van Amnesty International, de Bengaalse mensenrechtenactiviste Irene Khan, een boek met de titel The Unheard Truth. Daarin beschrijft Khan de armoede die drie miljard mensen treft, de helft van de wereldbevolking, als de zwaarste van alle mensenrechtencrisissen.16 Mensenrechtencrisissen impliceren menselijke betrokkenheid, zowel bij de creatie ervan als bij het toepassen of verwerpen van maatregelen die hen tegengaan of beŰindigen. Armoede vormt daarop geen uitzondering, en Ha´ti is een treffend voorbeeld. De armoede is er grotendeels een menselijk product. De Franse bezetting was het begin van alle ellende (en zette Columbus en andere moordenaars die de inheemse bevolking al snel met een onbeschrijflijke wreedheid hadden uitgeroeid, in de schaduw). Maar ook de weigering om het Ha´tiaanse drama tegen te gaan is een menselijke verantwoordelijkheid. Na de aardbeving van januari 2010 werd er een donorconferentie gehouden in Montreal. De deelnemers weigerden twee van de dringendste eisen om de abominabele toestand van Ha´ti te verbeteren, in overweging te nemen. Een eerste is de compleet ongegronde schuld kwijtschelden - een 'verfoeilijke' schuld waarvoor de bevolking geen verantwoordelijkheid draagt (om het concept te lenen waarmee de Verenigde Staten verwezen naar Cuba's 'schuld' aan Spanje, die de VS niet wilden betalen nadat het Cuba overnam in 1898). Een tweede eis is de landbouwsubsidies van de rijke landen terugschroeven. Die zijn dodelijk geweest voor Ha´ti's landbouwsysteem en zorgden in belangrijke mate voor de verstedelijking die het kolossale dodental na de aardbeving in de hand werkte.

Twee landen waren niet uitgenodigd op de conferentie in Montreal: Cuba en Venezuela. De twee zijn nochtans belangrijke spelers in de internationale hulp aan Ha´ti. Vooral Cuba had er al jaren honderden dokters op post en stuurde er na de aardbeving nog meer, een voorbeeld van het jarenlange echte internationalisme van dit land. In tegenstelling tot de deeljaar nemende landen in Montreal annuleerde Venezuela onmiddellijk Ha´ti's hoge schuld voor de olie die Venezuela al jaren aan een sterk verminderde prijs had geleverd. Bij de opening van de conferentie dankte de Ha´tiaanse eerste minister Bellerive in het bijzonder Cuba, Venezuela en de Dominicaanse Republiek (uitgenodigd als waarnemer), die 'onze slachtoffers van de aardbeving onmiddellijk te hulp kwamen'.17

Hier is een citaat van Francis Jennings op zijn plaats. Jennings was een van de historici die het lang weggestoken echte verhaal over de uitroeiing van de indianen in Noord-Amerika aan het licht brachten. Hij zei: 'In de geschiedenis staat de man in het gerimpelde hemd en het vest met gouden kant op de een of andere manier boven het bloed dat op zijn bevel werd vergoten door ondergeschikten die er niet mee inzitten hun handen vuil te maken.'18 Het is een van de blijvende principes van de geschiedschrijving.

Aan de andere kant van de wereld waren Britse veroveraars verbaasd over de welvaart, cultuur en gesofisticeerde beschaving van Bengalen. Ze beschouwden het land als een van de rijkste schatten van de wereld. De veroveraar was Robert Clive, zijn standbeeld begroet nu de bezoekers van het Victoriamuseum in Kolkata (Calcutta), een aandenken aan het Britse imperiale geweld. Clive wist niet wat hij zag. Hij beschreef de grote textielstad Dakha, nu de hoofdstad van Bangladesh, als 'zo groot, drukbevolkt en rijk als Londen'. Na een eeuw Britse heerschappij was de bevolking van Dakha teruggevallen van 150.000 tot 30.000 inwoners. De jungle en malaria heroverden de stad. Adam Smith schreef dat elk jaar honderdduizenden Bengalen stierven als gevolg van Britse wetten, die boeren zelfs dwongen 'vruchtbare velden vol rijst of andere granen om te ploegen tot papaverplantages' voor de opiumproductie. Daardoor werd 'de voedselschaarste een hongersnood'. Of in de woorden van de heersers zelf: 'De ellende kent zijn gelijke niet in de geschiedenis van de handel. De beenderen van de katoenwevers verbleken de vlaktes van India.' Het Bengaalse kwaliteitskatoen werd niet meer geproduceerd, en de geavanceerde Bengaalse textielproductie werd naar Engeland overgebracht. In de niet zo verre toekomst zal Bangladesh mogelijk verdwijnen onder de stijgende zeespiegel als de ge´ndustrialiseerde landen niet snel ingrijpen en de nakende milieucatastrofe tegengaan die zij zelf - en tegenwoordig ook China en andere ontwikkelingslanden - hebben gecreŰerd.

Ha´ti en Bangladesh, eens de schitterende diamanten in de imperialistische kroon, zijn nu symbolen van ellende en wanhoop, iets wat blijkbaar ontsnapt aan het oog van 'de man in het gerimpelde hemd en het vest met gouden kant'.

In de hele wereld vinden we dezelfde verhalen terug. Er zijn slechts enkele uitzonderingen. Het meest bekende voorbeeld is Japan, dat kolonisatie wist te vermijden - en zich in dat tijdperk als enige land van het Zuiden kon ontwikkelen en industrialiseren, een correlatie die ons heel wat leert over politieke en economische geschiedenis. Een door historische bronnen gestaafde conclusie luidt dat soevereiniteit, en dus de mogelijkheid om zijn interne economische ontwikkeling te controleren en op eigen voorwaarden toe te treden tot internationale marktsystemen, een cruciale voorwaarde is voor economische ontwikkeling.

Hier moet aan toegevoegd worden dat kolonisatie zich, in een andere vorm, tot op de dag van vandaag ook heeft uitgestrekt naar de maatschappijen van de veroveraars zelf. 'De Europese maatschappijen werden ook gekoloniseerd en geplunderd, niet zo catastrofaal als op het Amerikaanse continent maar wel erger dan in het grootste deel van AziŰ', schreef de historicus Thomas Brady. Zijn punt was dat de opbrengsten van het koloniale imperium werden geprivatiseerd, maar dat de kosten ervan door de hele maatschappij werden gedragen. Het koloniale rijk was een soort klassenoorlog binnen de imperialistische maatschappijen zelf. De belangrijkste reden daarvoor werd aangehaald door Adam Smith, die opmerkte dat de 'handelaren en fabrikanten' van Engeland de 'voornaamste architecten' waren van het staatsbeleid. Zij zorgden ervoor dat hun eigen belangen 'de meeste aandacht kregen', hoe 'zwaar' ook de gevolgen waren voor anderen, het Engelse volk incluis.

Smith verwees naar het mercantilistische systeem, maar zijn observatie geldt ook in een algemene context. Het is in die zin een van de weinige authentieke principes van de theorieŰn van de internationale betrekkingen, samen met dat andere fundamentele principe, het maxime van Thucydides: de sterken doen zoals ze willen en de zwakken lijden zoals ze moeten. Deze twee principes zijn niet het einde van alle wijsheid, maar ze brengen ons een heel eind verder als we de wereld willen begrijpen. Ze werpen ook een licht op wat gedaan moet worden als we naar een fatsoenlijkere samenleving willen - of zelfs naar een samenleving die een kans op overleven heeft.

Een ander algemeen verbreid principe is dat diegenen die de touwtjes in handen hebben, hun werk alleen maar efficiŰnt kunnen doen dankzij een zelfopgelegde blindheid: dat is het principe van de geschiedenisschrijving dat Francis Jennings zo precies beschreef, en dat een logisch gevolg is van de principes van Thucydides en Smith. Die zelfopgelegde blindheid omvat een selectief historisch geheugenverlies en diverse middelen om de gevolgen van de eigen daden te ontwijken (het is daarentegen toegelaten, ja zelfs verplicht, je met gevoel voor heldendom uit te laten over de misdaden van de vijand - leugens incluis als dat het verhaal uitkomt - zeker wanneer we niets kunnen doen aan die misdaden en het bij gratuite retoriek blijft).

Om maar een van de talrijke mogelijke voorbeelden te geven: op de vijfhonderdste verjaardag van Columbus' aankomst in Amerika in 1992 was een gebruikelijke visie op het Columbiaanse tijdperk dat 'duizenden eeuwen lang - eeuwen waarin menselijke rassen evolueerden, gemeenschappen vormden en de bakermat van de nationale beschavingen in Afrika, AziŰ en Europa opbouwden - de mensheid en haar verwezenlijkingen niet aanwezig waren op het continent dat wij kennen als Amerika'. Bijgevolg is het verhaal van de Europeanen in de 'lege' Nieuwe Wereld 'het verhaal van de schepping van een beschaving waar nog geen beschaving bestond'. Het citaat komt uit een middelbaar schoolboek van toen, een standaardwerk geschreven door drie prominente Amerikaanse historici.19

Men erkende dat er wat wilden rondliepen in die lege ruimtes, maar dat was van weinig belang. Zoals de Amerikaanse dichter Walt Whitman uitlegt, verbreken onze veroveringen 'de boeien die mensen weerhouden van een gelijke kans op een gelukkig en goed leven'. Over de verovering van half Mexico stelt hij retorisch: 'Wat heeft het ellendige, inefficiŰnte Mexico... te maken met de grootse missie om de Nieuwe Wereld te bevolken met een nobel ras?' Zijn ideeŰn werden overgenomen door Ralph Waldo Emerson, de toonaangevende humanistische denker van die tijd. Emerson schreef dat de annexatie van Texas logisch was: 'Het is duidelijk dat het sterke Britse ras, dat nu al een groot deel van het continent onder de voet heeft gelopen, ook dit gebied moet veroveren, net als Mexico en Oregon. Het zal in de loop van de geschiedenis van weinig belang zijn bij welke gelegenheid en met welke methodes dit is gebeurd.'

Natuurlijk wist men dat niet iedereen voordeel zou hebben bij het realiseren van die nobele en noodzakelijke taak om de wildernis open te stellen voor het superieure ras. Niettemin waren en bleven dit de gebruikelijke opvattingen. In 1969 volgde de toonaangevende wetenschappelijke geschiedschrijving van de Amerikaanse diplomatie nog steeds hetzelfde discours: nadat ze zich bevrijd hadden van de Britse heerschappij, konden de verenigde dertien koloniŰn zich 'concentreren op het vellen van bomen en indianen en het vastleggen van hun natuurlijke grenzen' (Thomas Bailey). Noch in professionele kringen noch in het algemene discours werd aanstoot genomen aan dergelijke uitingen.

De Verenigde Staten zijn, veronderstel ik, het enige land dat opgericht werd als een 'opkomend rijk', in de woorden van een van de Founding Fathers. Na zich bevrijd te hebben van Engeland, vond George Washington dat 'de geleidelijke uitbreiding van onze nederzettingen net zo goed de wilde als de wolf, zal doen terugwijken; beide zijn immers roofdieren, hoewel ze verschillen van vorm'. We moeten '[de inboorlingen] aanzetten onze Territoria op te geven en uit te wijken naar de onmetelijke westelijke regio's' - waar we ze later zouden 'aanzetten' uit te wijken naar de eeuwige jachtvelden. Door de verovering werden de Territoria 'onze' rechtmatige eigendom, zo werd de 'inboorlingen' regelmatig aangeleerd.

De collega's van George Washington gingen akkoord. De meest vrijheidsgezinde van de Founding Fathers, Thomas Jefferson, voorspelde dat de pas bevrijde kolonies de inheemse bevolking 'samen met de beesten van het woud de Stony Mountains' in zouden drijven, en dat het land dan eindelijk vrij zou zijn van 'smet en vermenging', rood of zwart (dat laatste met de terugkeer van de slaven naar Afrika na de afschaffing van de slavernij). Meer nog, de vroegere kolonies 'worden het nest van waaruit het hele Amerikaanse continent, Noord en Zuid, bevolkt zal worden'. In 1801 schreef Jefferson aan James Monroe dat we 'vooruit moeten kijken naar de toekomst, wanneer ons volk zich nog sneller uitbreidt... en het hele noordelijke en zuidelijke continent zal innemen. Iedereen zal dezelfde taal spreken, en geregeerd worden op een gelijkaardige manier, met gelijkaardige wetten'. 'Met andere woorden', vat de historicus R.W. van Alstyne samen, 'zag hij de Verenigde Staten als het thuisland voor de miljoenen die zouden emigreren en hun ras voortplanten in heel Noord- en Zuid-Amerika, waarbij niet alleen de inheemse Noord-Amerikanen moesten wijken, maar ook de Latijnse volkeren in het zuiden.' Zo zou een continent geschapen worden 'met Amerikaans bloed, [een continent] dat Amerikaans zou zijn in taal, gebruiken en politieke ideologie'. Verwacht werd dat dit doel het snelst bereikt zou worden in Canada wanneer dat land veroverd zou zijn, iets waarop Jefferson en zijn gezellen anticipeerden en waartoe ze herhaaldelijk met geweld pogingen ondernamen - een verovering die vandaag misschien alsnog kan lukken via hedendaagse vormen van onderwerping.

Dit werd allemaal bedekt met een waas van liefde en oprechte bezorgdheid om onze beschermelingen. James Madison oreerde dat we 'deze welwillende en verdienstelijke plannen moeten voortzetten. Ze zorgen er immers voor dat de inboorling het gedegenereerde en verachtelijke leven van een wilde achter zich kan laten en kan deelnemen aan de vooruitgang waartoe de menselijke geest en het menselijke gedrag in een beschaafd land in staat zijn. (...) Bovendien heeft het rechtvaardige en welwillende systeem waarmee we onze indiaanse buren benaderen, de vrede bewaard, en ontwikkelt het meer en meer gebruiken die hun beschaafdheid en geluk ten goede komen.' Hoe dit moest gebeuren nadat ze werden verbannen en uitgeroeid, zoals de daders eerlijk toegaven, vergat Madison te vermelden.20

Sommigen zullen betogen dat citaten van prominente historici van enkele jaren geleden misleidend zijn. We hadden per slot van rekening toen immers 'maar' vijfhonderd jaar wreedheid en vernietiging achter de rug, net niet genoeg tijd om tot juistere conclusies te komen. Maar het is waar, en heel belangrijk, dat de gebruikelijke retoriek van een tijdje geleden vandaag in verschillende middens, zelfs onder geleerden, veroordeeld zou worden als racisme. Dat is een van de vele verdiensten van het volksactivisme van de jaren 1960 die de westerse maatschappij beschaafder maakten. Maar er is nog een lange weg af te leggen.

Om een idee te geven van hoe lang die weg nog is, hoeven we maar een van 's werelds meest toonaangevende intellectuele tijdschriften vast te nemen, The New York Review of Books. Midden 2009 vertelt politiek analist Russell Baker, een liberal, wat hij geleerd heeft van de 'heldhaftige historicus' Edmund Morgan. Baker concludeert dat Columbus en de eerste ontdekkingsreizigers 'een maagdelijk continent vonden, dunbevolkt door landbouwers en jagers... In die grenzeloze en onaangeroerde wereld die zich uitstrekte van de tropische jungle tot het koude noorden, leefden misschien slechts iets meer dan een miljoen mensen'. Baker herhaalt hier nagenoeg de geschiedenisles die tijdens de vijfhonderdste verjaardag ook te horen viel. Zijn berekening zit er vele tientallen miljoenen naast en het 'maagdelijke continent' bevatte geavanceerde beschavingen. Deze extreme oefening in genocidale ontkenning kreeg weinig aandacht, vermoedelijk omdat het zo gewoon is en goedbedoeld.21

We doen er echter goed aan in gedachten te houden dat de daders heel goed wisten wat ze deden. Generaal Henry Knox, held van de Amerikaanse Revolutie en de eerste minister van Oorlog in de pas bevrijde kolonies, omschreef 'de uitroeiing van de indianen in de meeste bevolkte delen van de Unie [als] veel destructiever voor de indiaanse inheemse bevolking dan het gedrag van de veroveraars van Mexico en Peru', wat later ook werd bewezen. Knox waarschuwde dat 'toekomstige historici de oorzaken van de vernietiging van dit mensenras als "in bloed gedrenkt" zullen bestempelen'. In zijn latere jaren - lang na zijn eigen bijdragen tot deze misdaden - betreurde president John Quincy Adams het lot van 'dat ongelukkige ras van inheemse Amerikanen, dat wij met zulke genadeloze en valse wreedheid uitmoorden. Dit is een van de gruwelijke zonden van deze natie, waarvoor God ons, zo geloof ik, ooit zal straffen'.22 Over een wereldse veroordeling repte hij niet.

Er was ook een meer passende en gebruikelijke versie van de feiten. Een rechter van het Amerikaanse Hooggerechtshof, Joseph Story, orakelde bijvoorbeeld dat 'Gods ondoorgrondelijke wegen' ervoor zorgden dat de inheemse bevolking verdween 'als sneeuw voor de zon', hoewel de kolonisten hen 'altijd respecteerd hadden'. In dezelfde periode dat de basis werd gelegd voor Andrew Jacksons plannen om de indianen te verwijderen (wat vandaag 'etnische zuivering' genoemd zou worden, tenminste als onze vijanden dat doen), legde president Monroe uit dat 'wij eigenlijk de weldoeners van de indianen worden' door hen van hun land te verjagen. De nazaten van de kolonisten zetten deze humane missie van verdrijving en uitroeiing voort, voor de eigen bestwil van de indianen. President Theodore Roosevelt vertelde een eeuw geleden aan een groep blanke missionarissen dat 'de expansie van de blanke, of Europeaan, in de laatste vier eeuwen... gepaard ging met een blijvend voordeel voor de meeste volkeren die al woonden in de landen waar de expansie plaatsvond'. Kortom, we zijn 'eigenlijk hun weldoeners', wat indianen, Afrikanen, Filippino's en andere begunstigden daar verkeerdelijk ook over mogen denken.23

Zulke versies van de geschiedenis zijn niet ongewoon noch beperkt tot de Verenigde Staten. Ze behoren tot het standaardjargon van het imperialisme. Het geloof dat het gebruik van geweld door de machtigen der aarde in essentie humaan is, vinden we vandaag terug in 'de opkomende internationale norm die de "verantwoordelijkheid tot bescherming" erkent van onschuldige burgers die op grote schaal oog in oog staan met de dood' ( Susan Rice, VN-ambassadeur van president Obama).24 Dat een dergelijke verantwoordelijkheid bestaat, valt niet te betwisten en wordt al lang erkend door de VN en door individuele staten. Maar het occasionele gebruik van dit principe door machtige staten is een andere zaak, zoals de geschiedenis ons vaak genoeg leert. In realiteit is deze norm niet zo 'opkomend'. Hij is altijd een bepalende imperialistische doctrine geweest, die wordt ingeroepen om geweld te rechtvaardigen wanneer andere voorwendsels ontbreken. Diezelfde norm wordt ook regelmatig genegeerd als hij de belangen van de grootmachten in de weg staat. Het uitzicht op massasterfte, zoals hierboven vermeld, is een goed hedendaags voorbeeld. Zoals in vele andere gevallen is hier geen enkele nood aan enige vorm van interventie. Gewoon een beetje menselijkheid volstaat. Slechts enkele weken later verkondigden intellectuelen en diplomaten in de VN al plechtig hun toewijding aan deze 'opkomende internationale norm'. Zelfs zeer gerespecteerde figuren die eerder nog vooraanstaande tegenstanders waren van zulke normen gingen akkoord. Om nog niet te spreken van de vele tijdschriften die de misdaden van hun eigen staten met veel expertise ontkennen.25