EPO op Facebook EPO op Facebook

extra info · Terra Reversa ·


3 Transities meervoudig bekeken

'Sinds 2001 is transitiemanagement officieel beleid van de Nederlandse overheid, hetgeen kan worden gezien als een expliciete poging om het bestaande reguliere beleid van binnenuit te innoveren. Het reguliere beleid is gericht op de korte termijn vanuit een consensusbenadering die een zekere mate van traagheid kent, en waarbij het optimaliseren van de bestaande maatschappelijke systemen (stelsels) het uitgangspunt vormt. Zoals reeds op brede schaal geconstateerd, ontbeert het huidige beleid en haar gesublimeerde vorm, het Poldermodel, de slagkracht, daadkracht en visionariteit om het hoofd te bieden aan de grote maatschappelijke opgaven waar wij voor staan. Voor deze specifieke hardnekkige maatschappelijke problemen is een tweede beleidslijn nodig, bovenop het bestaande beleid: transitiebeleid. Transitiebeleid vormt een soort schaduwbeleid wat zich in betrekkelijke luwte afspeelt. Het vormt niet zozeer een trendbreuk, maar een inkadering van het huidige beleid in een lange-termijn duurzaamheidsperspectief. Transitiebeleid is expliciet gericht op de lange termijn (1 ŗ 2 generaties vanaf nu), en op het innoveren van onze maatschappelijke systemen (stelsels) via een cyclisch proces van visievorming, agenderen, instrumenteren, experimenteren en leren.'
(Rotmans, Loorbach en Van der Brugge, 2005: 18)

We bevinden ons momenteel in een opmerkelijke impasse. De wetenschappelijke kennis over de crisis van de relatie tussen mens en milieu was nooit eerder zo groot. Toch blijft de gemiddelde milieu-impact per persoon in de westerse landen geleidelijk stijgen (Hails (red.), 2008). [*] In het GEO-4-rapport van de UNEP (2007) stelt men onomwonden dat overheden wereldwijd tekortschieten in hun reactie op de sociaal-ecologische crisis. Het hedendaagse beleid staat niet in verhouding met de ernst en de urgentie van dit vraagstuk. Om te komen tot een situatie van ecologische duurzaamheid en mondiale rechtvaardigheid is er behoefte aan een transitie naar een nieuw (ecologisch-)economisch model, dat een hoge levenskwaliteit weet te koppelen aan een lage milieu-impact. Zoals we hierna meer in detail bespreken, betreft het voor de westerse landen een daling van het milieubeslag van ongeveer 90 procent, te realiseren tijdens de komende decennia. In vaktaal spreekt men over Factor 10. Dit zijn althans de wetenschappelijke cijfers die de orde van grootte weerspiegelen van de uitdaging waar we voor staan.

Op het eerste gezicht lijkt dit een onmogelijke opdracht. Toch willen wij in dit boek hard maken dat een dergelijke daling van de milieu-impact mogelijk is, op een sociale manier ťn zelfs zonder aan levenskwaliteit in te boeten. Na een schets te geven van het einddoel van de metatransitie - namelijk een nieuw macro-economisch model dat niet alleen ecologisch duurzaam is maar ook sociaal rechtvaardig en economisch stabiel - introduceren we in dit derde hoofdstuk het concept 'transitiemanagement'. Dit is een model om grote maatschappelijke veranderingsprocessen in gang te zetten en te begeleiden. De centrale aspecten en basisconcepten worden verhelderd. Zoals aangegeven in Tabel 1.1 beschouwen we het transitiemanagement als het voornaamste model om op middellange termijn duurzaamheidstransities tot stand te brengen in de meest revelante consumptie- en productiedomeinen, zoals voeding, wonen en mobiliteit (type 2-probleem). In tegenstelling tot de metatransitie (type 3-probleem), kunnen deze deeltransities al binnen het bestaande bestel opgestart worden.

De metatransitie naar een sociaal-ecologische economie

Een stationaire economie

Ecologische economen hebben al veel theoretisch werk verricht om de contouren aan te geven van een ecologisch duurzame economie. Zij vertrekken daarbij vanuit een (thermodynamisch) preanalytisch uitgangspunt. Die visie stelt dat de economie voor haar metabolisme compleet afhankelijk is van het omringende Ecosysteem Aarde (zie Fig. 1.5). Om ecologisch duurzaam te zijn, moet de doorstroom van materialen en energie binnen de biocapaciteit van de Aarde blijven. Op lange termijn betekent dit een steady state of stationaire toestand.

De idee van een stationaire economie is, zoals al aangegeven in de inleiding, oorspronkelijk afkomstig van de klassieke econoom John Stuart Mill (1857). Hiermee verwees hij naar een nulgroei van de bevolking en het gebruik van natuurlijk kapitaal, waarbij tegelijkertijd een continue verbetering in technologie en ethiek moest worden nagestreefd. Deze visie op een duurzame economie werd in 1973 nieuw leven ingeblazen door Herman Daly. In de Franstalige wereld spreekt men van dťcroissance, een begrip dat moeilijk in het Nederlands te vertalen valt maar een soortgelijke lading dekt als een stationaire economie. 'Ontgroeien' betekent overigens niet het expliciet nastreven van 'negatieve BNP-groei'. Een lager BNP-cijfer is op zich namelijk geen enkele garantie voor minder milieuverontreiniging, uitputting of degradatie.

Absolute dematerialisatie

Voor Daly betekent een stationaire economie een economie waar men ontwikkeling eerder beschouwt als de kwalitatieve verbetering van de levensvoorwaarden dan het nastreven van kwantitatieve volumegroei. Daly (1996) maakt hierbij de vergelijking met de groei van een kind tot volwassenheid. Zodra het kind volwassen is, groeit het niet meer maar zal het zich wel verder ontwikkelen. Dit inzicht is uiteraard vooral relevant voor de 'ontwikkelde' economieŽn in het Westen. In tal van landen in het Zuiden moet er eerst nog een belangrijke groeifase komen waarbij een netwerk wordt opgebouwd van elementaire nutsvoorzieningen (zuiver water, sanitair, openbaar vervoer, degelijke behuizing, enz.). Wanneer onvervulde basisbehoeften worden bevredigd, is er zeker sprake van 'echte individuele en maatschappelijke welvaartsgroei' (van den Bergh, 2005).

Wat de geÔndustrialiseerde landen betreft, is de boodschap volstrekt anders. Hun milieu-impact zal sterk moeten worden gereduceerd. Een drastische dematerialisering is een noodzakelijke voorwaarde voor ecologische duurzaamheid (zie bv. Rodrigues e.a., 2005). Aan de fysische groei van een verhoogde doorstroom (throughput) van materialen en energie door de economie (Fig. 1.5) moet een einde komen. Sterker nog: de doorstroom moet zelfs afnemen. Een lagere doorstroom zal de verschillende componenten van milieuschade terugdringen.

Hoeveel dematerialisatie is er nodig om een ecologisch duurzame economie te bewerkstelligen (voor een gedetailleerde bespreking, zie Jones en Jacobs, 2006)? De Factor 4-standaard van Ernst von Weisšcker e.a. (1997) is ongetwijfeld de meest bekende referentie voor de dematerialisatie van de economie. Factor 4 beoogt een verdubbeling van de mondiale welvaart met een halvering van de grondstofinput ('binnen drie ŗ vijf decennia'). Voor de geÔndustrialiseerde landen gaat dit echter niet ver genoeg. Schmidt-Bleek (1994) spreekt van een noodzakelijke dematerialisatie met een Factor 10. Dit betekent een daling van 90 procent ten opzichte van het huidige doorstroomniveau. [**] Dit cijfer werd ook opgepikt in het Global Environment Outlook 2000-rapport van de UNEP (het milieuprogramma van de VN):

'Een tienvoudige reductie in grondstofverbruik in de geÔndustrialiseerde landen is een noodzakelijke langetermijndoelstelling, indien voldoende grondstoffen ter beschikking worden gesteld voor de behoeften van de ontwikkelingslanden.' (UNEP, 2000: 2)

Zoals al aangegeven geldt de Factor 10-benadering grosso modo ook voor de klimaatdoelstellingen van westerse landen. In zijn rapport van 2007 stelt het VN-klimaatpanel dat de mondiale broeikasgasuitstoot tegen 2050 met 50 ŗ 85 procent moet dalen (met een tussentijdse doelstelling van 25 ŗ 40 procent tegen 2020) (zie ook Tabel 2.1) om de opwarming te beperken tot maximum 2 tot2,4įC ten opzichte van de voorindustriŽle temperatuur. Voor westerse landen komt dat neer op een daling van ongeveer 90 procent tegen 2040-2050.

Is een biofysische steady-state verzoenbaar met BNP-groei?

Een daling van het milieubeslag met 90 procent is geen geringe opgave, zelfs niet in een economie die BNP-gewijs niet meer groeit. Indien echter de mondiale economie ook nog eens blijft groeien in een zelfde tempo als de afgelopen decennia, [***] dan wordt die doelstelling nog veel moeilijker te bereiken. Ter illustratie toont Fig. 3.1 de snelheid waarmee de mondiale economie BNP-gewijs zou toenemen in twee scenario's, met gemiddelde groeipercentages van respectievelijk 3 en 5 procent. In het 5%-groeiscenario vertienvoudigt de wereldeconomie in minder dan 50 jaar; en op een tijdschaal van 100 jaar tijd neemt de economie met maar liefst een factor 125 toe. De vraag is dus gewettigd of het wel mogelijk is om een steady-state economie (in de biofysische betekenis, qua milieu-impact) te verzoenen met de 'politieke noodzakelijkheid' van economische groei (gemeten in BNP-groei) (Ayres & van den Bergh, 2005; Rodrigues e.a., 2006).

figuur toename van de wereldeconomie

Figuur 3.1 Toename van de wereldeconomie volgens een 3%- en een 5%-groeiscenario (in relatieve BNP-cijfers, index '1' = mondiaal BNP wereldeconomie van vandaag)

Theoretisch gezien is 'duurzame economische groei' (sustainable economic growth), waar bekende economen als Nicholas Stern (2009) voor pleiten, mogelijk als de doorstroom per eenheid inkomen snel genoeg afneemt ('dematerialiseert') om de toename in doorstroom als gevolg van de economische BNP-groei te compenseren. In dat geval kan de biofysische schaal van de economie constant gehouden worden, binnen de ecologisch duurzame grenzen. De noodzakelijke vermindering van de milieu-impact per eenheid BNP-groei wordt verondersteld het gevolg te zijn van twee factoren: technologische innovatie (schonere of alternatieve productieprocessen) en verschuivingen in de samenstelling van de groei (naar goederen en diensten die minder natuurintensief zijn). Typisch aangehaalde mogelijkheden zijn hergebruik, renovatie, recycling, lichtere producten, miniaturisatie, nieuwe technologieŽn en een verschuiving naar meer dienstverlening (Ayres & van den Bergh, 2005). Desondanks blijft de vraag of eindeloze dematerialisatie mogelijk is in een eindeloos groeiende economie.

Men kan op twee manieren naar deze vraag kijken. Daarbij is het belangrijk een onderscheid te maken tussen relatieve en absolute ontkoppeling van economische groei (in BNP-termen) en milieu-impact (in biofysische termen, zoals CO2-uitstoot, totale ecologische voetafdruk, total material requirement (TMR), enz.). Relatieve ontkoppeling impliceert dat de milieu-impact minder snel toeneemt dan de economische groei. In absolute termen blijft de impact dan nog wel verder stijgen. Om een absolute ontkoppeling te verkrijgen moet het niveau van dematerialisering zo groot zijn dat ondanks de economische groei de milieu-impact toch daalt.

Een eerste methode om de hierboven gestelde vraag te beantwoorden, vertrekt vanuit een historische analyse. In hoeverre was er de laatste decennia al sprake van een verregaande ontkoppeling? Op een aantal vlakken is er inderdaad een relatieve ontkoppeling opgetreden. Zo daalde de mondiale energie-intensiteit (energiebehoefte/eenheid BNP-groei) in de periode 1970-2009 met 33 procent. Een soortgelijke conclusie geldt ook voor de koolstofintensiteit van de groei: die daalde met ongeveer 25 procent in de periode 1980-2006. Het niveau van ontkoppeling was echter veel te klein om een absolute daling van klimaatimpact te realiseren. Vanwege de hoge economische groei stegen de CO2-emissies in de periode 1990-2009 met bijna 40 procent. In dit geval is er dus helemaal geen sprake van absolute ontkoppeling. En voor een groot aantal mineralen (ijzererts, bauxiet, koper, nikkel) is er zelfs geen sprake van relatieve ontkoppeling. De consumptie ervan neemt juist sneller toe dan het mondiale BNP (Jackson, 2009).

De empirische analyse van de afgelopen decennia biedt al met al weinig hoop dat een absolute Factor 10-reductie mogelijk is in een groeiende wereldeconomie. Toch betekent dit niet noodzakelijk dat dit ook in de toekomst geheel onmogelijk is. Achim Steiner, topman van het VN-ontwikkelingsprogramma, pleit in dit verband voor een nieuwe groeimotor: 'a green engine of growth', zodat BNP-groei kan worden verzoend met een lagekoolstofeconomie. Het betreft een groeimotor die is gebaseerd op niet-vervuilende energiediensten en 'niet-materiŽle' diensten in plaats van op milieubelastende producten. Ongetwijfeld is de transitie naar product service systems (PSS) - waarbij functies (bv. mobiliteit) in plaats van producten (bv. auto's) worden verkocht - een essentieel onderdeel van een duurzaamheidstrategie tijdens de komende decennia (zie verderop). Op de keper beschouwd blijft dit evenwel een pleidooi voor een eindeloos groeiende economie, waarbij de ontkoppeling ervoor moet zorgen dat de milieu-impact binnen de perken blijft.

Dat brengt ons bij de tweede manier om naar de gestelde vraag te kijken. In hoeverre is het biofysisch en vooral thermodynamisch mogelijk om een eindeloze ontkoppeling te verkrijgen tussen BNP-groei en milieudruk? Zijn er in de praktijk geen technologische grenzen aan de dematerialisering? Via de tweede hoofdwet van de thermodynamica weten we dat alle reŽle processen intrinsieke inefficiŽnties met zich meedragen. Hoewel het klopt dat men steeds kan kiezen voor een ander, meer efficiŽnt proces ter vervanging van een minder efficiŽnt procedť, blijven er toch steeds grenzen bestaan aan de te bereiken efficiŽntie. Of het nu gaat om de productie van voedsel (vooral vlees), metalen (staal, aluminium, koper, zink, germanium, enz.) of elektronische apparatuur (gsm's, laptops, tv's, enz.), men zal altijd een bepaalde hoeveelheid grondstoffen, water en energie nodig hebben. Ook diensten kunnen pas worden geleverd door de tussenkomst van materialen. Het is een illusie om te denken dat het einde van het materiaaltijdperk in zicht is (Jšnicke, 2001) of dat ontkoppeling altijd maar kan doorgaan. Dit wordt mooi geÔllustreerd aan de hand van het volgende citaat van Tim Jackson:

'De naÔeve veronderstelling dat de efficiŽntieneiging van het kapitalisme het ons mogelijk zal maken om het klimaat te stabiliseren of ons zal beschermen tegen grondstofschaarste is niet minder dan zelfbedrog. Zij die ontkoppeling promoten als een vluchtroute, weg van het dilemma van de groei, moeten beter kijken naar de historische bewijzen - en naar de eenvoudige wiskunde van het groeiverschijnsel.' (Jackson 2009: 8)

Zelfs Nicholas Stern (2009) geeft impliciet toe dat op de lange termijn eindeloze groei geen evidentie is, al pleit hij net als Achim Steiner voor een nieuwe (groene) groeimotor op de korte termijn: 'This is not to claim that the world can continue to grow indefinitely.'

Een steady steate economie is een biofysische noodzakelijkheid

Uit dit alles kunnen wij niet anders dan concluderen dat een absolute dematerialisatie met een Factor 10 louter via een verbetering van de eco-efficiŽntie een utopie is. Zonder een strategie van sufficiŽntie (een vermindering aan de consumptiezijde) kunnen de eco-efficiŽntieverbeteringen niet op tegen de toename van de BNP-schaal van de groei-economie. Op de lange termijn is een transitie naar een andere economie onontkoombaar. In een niet-groeiend, eindig en (op materieel vlak) gesloten Ecosysteem Aarde, zal een cultuur die voor haar economische gezondheid afhankelijk is van exponentiŽle groei de pijlers van haar eigen voortbestaan ondergraven. De kosten van een vrijwillige economische reconversie zullen daarentegen vele malen kleiner zijn dan de sociale, ecologische en morele kosten nadat sociale en ecologische kritische drempelwaarden overschreden zijn. Kernachtig schetsen Mathias Wackernagel en William Rees dit dilemma als volgt:

'Dit is dan ons huidige dilemma: een politiek aanvaardbaar duurzaamheidsbeleid zou ecologisch gezien niet werken, terwijl een ecologisch effectief beleid politiek onmogelijk blijft (of zelfs ketters). Deze situatie zal wellicht blijven bestaan, zolang de sociale schizofrenie en de ontkenning zwaarder doorwegen dan het publieke bewustzijn dat onze huidige levensstijl zelfvernietigend is.' (Wackernagel & Rees, 1997: 22)

Let wel, dit is een citaat van meer dan 10 jaar geleden. Aan actualiteitswaarde heeft het echter nog niets ingeboet. Daly en Farley (2004: xxvii) stellen het als volgt: 'Wanneer men geconfronteerd wordt met het ongelukkige dilemma tussen een fysische of een politieke onmogelijkheid, is het beter het politiek 'onmogelijke' te trachten verwezenlijken.'

Hoe economische stabiliteit verwezenlijken in een stationaire economie?

We komen dus uit op de noodzaak dat de BNP-groeidwang van het huidige economische systeem beŽindigd wordt en dat er een transitie komt naar een ecologisch economisch model waar consumptiegroei niet langer noodzakelijk is. Die overgang is niet evident, om diverse redenen. Om te beginnen vormt het hedendaagse geldsysteem een structurele barriŤre voor een transitie naar een duurzame economie. In het huidige economische systeem is de groeivereiste onlosmakelijk verbonden met de manier waarop (positieve) rente in het geldstelsel is ingebouwd. In Het Geld van de Toekomst (2001) heeft Bernard Lietaer de drie effecten van rente beschreven: interest bevordert indirect de systematische concurrentie tussen de deelnemers in het stelsel; interest concentreert welvaart door de grote meerderheid te belasten ten gunste van een kleine minderheid (die de eigenaars zijn van de hoofdmoot van de rentedragende bezittingen); en interest voedt de noodzaak van eindeloze economische groei, zelfs als de feitelijke levensstandaard gelijk blijft. De hoogte van de rentevoet bepaalt mede het gemiddelde groeiniveau dat vereist is om op dezelfde plaats te blijven (zie ook Bruhnhuber e.a., 2005). Het geldsysteem is ten gevolge hiervan niet neutraal.

Rechtstreeks verbonden met de aard van het geldsysteem is de verhouding tussen de groeinoodzaak en de economische stabiliteit. Wanneer groei achterwege blijft, raken politici in paniek. Ondernemingen komen in de problemen. Werknemers verliezen hun baan en soms zelfs hun huis (Jackson, 2009). Een negatieve spiraal dreigt, zoals we sinds de financieel-economische crisis van 2008 duidelijk hebben kunnen vaststellen.

Het werkgelegenheidsaspect verdient verdere aandacht. In een kapitalistisch stelsel wordt een grote nadruk gelegd op de continue verbetering van de technologische efficiŽntie, waardoor met een gegeven hoeveelheid input (arbeid, kapitaal, natuur) meer output kan worden geproduceerd. Door de aanhoudende stijging van de arbeidsproductiviteit zijn er minder mensen vereist om een zelfde output te produceren.

Zolang de economie snel genoeg groeit, is dat op zich geen probleem. De door de groei gecreŽerde werkgelegenheid compenseert het verlies aan werkgelegenheid door de stijgende arbeidsproductiviteit. In het geval van een economische recessie ontstaat er evenwel een structureel werkgelegenheidsprobleem. Mensen verliezen hun arbeidsplaatsen zodat ze minder kunnen uitgeven, waardoor het systeem verder in de problemen geraakt. Eens te meer wordt duidelijk dat in het huidige systeem (consumptie)groei een absolute noodzaak is. Het dilemma van de groei is dat exponentiŽle BNP-groei biofysisch onmogelijk is, aangezien het systeem zijn eigen ecologische bestaansbasis ondergraaft. Vanwege een falend Ecosysteem Aarde zal in een business as usual-scenario uiteindelijk ook de groei zťlf in de problemen komen. Dit is het scenario van de implosie, de abrupte transitie die door externe factoren wordt opgelegd.

Het fundamentele dilemma - eindeloos groeien is ecologisch onduurzaam, terwijl negatieve groei (op de korte termijn) economisch instabiel is - kan niet langer genegeerd worden. Hoe moeilijk ook, een oplossing moet worden gevonden: 'The failure to do so is the single biggest threat to sustainability that we face.' (Jackson, 2009: 46) Ecologische economen en gelddeskundigen als Bernard Lietaer hebben al langere tijd gezocht naar uitwegen uit dit dilemma. Lietaer (2001) heeft een pleidooi gehouden voor een complete herziening van het monetaire systeem, waarbij duurzaamheid structureel in het geldstelsel wordt ingebouwd (concepten als dťmurrage of negatieve rente). En op het vlak van ecologische duurzaamheid zijn de contouren van een stationaire economie (zoals de principes van een duurzame schaal, een rechtvaardige verdeling en een efficiŽnte allocatie van productiefactoren) al uitgebreid geschetst door pioniers als Herman Daly. Toch ontbreekt er nog steeds een macro-economisch model dat economische stabiliteit kan garanderen in afwezigheid van een eindeloze consumptiegroei:

'We beschikken niet over een model dat kan aangeven hoe de klassieke, samengestelde macro-economische indicatoren (productie, consumptie, investeringen, handel, kapitaalstock, openbare uitgaven, arbeid, geldaanbod, enz.) reageren wanneer kapitaal niet accumuleert. Evenmin slagen onze modellen erin om afdoende rekening te houden met de afhankelijkheid van macro-economische variabelen ten aanzien van grondstofverbruik, reserves, uitstoot en ecologische integriteit.' (Jackson, 2009: 77)

Het is opmerkelijk dat er in de literatuur bijna geen enkele poging is geweest om zo'n macro-economisch model te ontwerpen. De uitzondering op de regel vormt het werk van de Canadese econoom Peter Victor (2008a). Victor ontwierp een model om het potentieel na te gaan van een stabiele, niet of heel traag groeiende economie (periode 2005-2035). Door te spelen met doorslaggevende inputfactoren kon hij verschillende scenario's ontwerpen voor de toekomst van de Canadese economie, waarbij telkens ook de sociale en ecologische implicaties in kaart werden gebracht. De optimistische conclusie luidt dat in zijn scenario 'Low Growth' een stabiele economie werd bereikt, met de volgende karakteristieken: BNP per capita 70 procent hoger in 2035 dan in 2005, daling van het algemene schuldniveau, 20 procent daling van de broeikasgasuitstoot, en daling werkloosheid (Fig. 3.2).

figuur low growth scenario voor de Canadese economie

Figuur 3.2 Low Growth Scenario voor de Canadese economie (overgenomen van Victor, 2008a)

Wat zijn nu de basiskarakteristieken van dit lagegroeiscenario? De meest invloedrijke factoren zijn de veranderingen in de structuur van de investeringen en de arbeidsmarkt. Op het vlak van investeringen vindt er een verschuiving plaats van private naar publieke investeringen. Deze worden doorgevoerd door grootschalige wijzigingen in het belastingsysteem (ombouw naar een groen belastingstelsel) en in de aard en het niveau van openbare uitgaven. Ondanks een stijging van de arbeidsproductiviteit, neemt de werkloosheid af door zowel het totale als het gemiddelde aantal werkuren te beperken. In zijn analyse van het werk van Victor stelt Jackson:

'Het verkorten van de werkweek is de meest eenvoudige en meest geciteerde structurele oplossing voor de uitdaging van het behoud van volledige werkgelegenheid met een niet-toenemende output. (Ö) Maar het is waardevol om te noteren dat er andere, meer radicale suggesties bestaan die arbeid willen herorganiseren, om gelijkheid te verzekeren en om creatieve participatie aan te moedigen in de maatschappij. Het betreft onder andere de introductie van een basisinkomen.' (Jackson, 2009: 80)

Essentieel in dit transitiegebeuren is de herwaardering van de publieke sector. In plaats van de 'vrije markt' te verstoren, zal de openbare sector een proactieve rol dienen te spelen in het beschermen van de macro-economische stabiliteit, het leveren van openbare diensten, en - absoluut fundamenteel - het investeren in groene productie- en consumptiesectoren (grondstofefficiŽntie, hernieuwbare energie, schone technologie, klimaatadaptatie en ecosysteembescherming en -restauratie).

Bijkomend is het ook elementair om het monetaire systeem zťlf te herzien zodat duurzaamheid als het ware wordt voorgeprogrammeerd in het geldstelsel (bv. de voorstellen van Keynes en Schumacher, Bernard Lietaer, de Nederlandse organisatie stro). Verder onderzoek en meer praxis zijn vereist. Dit is een thema dat evenwel buiten het bestek van dit boek ligt. [****]

Noten

* In BelgiŽ stelt men, na een eerdere stabilisatie, sinds het begin van de jaren 1990 een zorgwekkende gestage groei van de ecologische voetafdruk per persoon vast (bijlage bij Living Planet Report 2008). [terug]

** In werkelijkheid is het nog complexer dan dat. Indien we effectief met 90% zouden dematerialiseren maar nog steeds 10% niet-hernieuwbare grondstoffen gebruiken, is er nog steeds geen sprake van een duurzaam systeem. Toch gebruiken we in dit boek het Factor 10-concept omdat het de orde van grootte aangeeft van de uitdaging waar we de komende decennia voor staan. [terug]

*** We gaan er hier immers expliciet van uit dat de economische crisis (sinds 2008) (met vaak negatieve groeicijfers) een tijdelijk gegeven is. Als we geen fundamentele hervormingen doorvoeren dan komt het wereldeconomisch systeem opnieuw terecht in een business as usual-fase, mťt milieu-intensieve economische groei. [terug]

**** Complementaire munteenheden, zoals verdedigd door Bernard Lietaer, kunnen hier voor een deel soelaas brengen. Het praktijkwerk van de Nederlandse organisatie stro (Social Trade Organisation) in Latijns-Amerika is in dit verband heel interessant. stro ontwikkelt regionale rentevrije handelsnetwerken met een eigen munt voor kleine en middelgrote bedrijven, consumenten en lokale overheden om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Deze handelsnetwerken stimuleren een gevarieerde en aantrekkelijke productie voor de eigen regio, creŽren werkgelegenheid en versterken de lokale economie ten opzichte van de wereldmarkt. Daarnaast zal ook het klassieke geldsysteem aangepakt moeten worden. In een lezing in 1999 shockeerde Mervyn King, de Gouverneur van de Bank of England, zijn collega's centrale bankiers met de voorspelling dat het monopolie van de geldcreatie vanwege staten, centrale banken en grote banken in de toekomst zou verdwijnen. We geven het originele citaat hier mee: 'Is it possible that advances in technology will mean that (...) the world may come to resemble a pure exchange economy? Electronic transactions in real time hold out that possibility. There is no reason, in principle, why final settlements could not be carried out by the private sector without the need for clearing through the central bank. (...) [T]here is no conceptual obstacle to the idea that two individuals engaged in a transaction could settle by a transfer of wealth from one electronic account to another in real time. (...) The same system could match demands and supplies of financial assets, determine prices and make settlements. Financial assets and real goods and services would be priced in terms of a unit of account. Final settlement could be made without any recourse to the central bank. (...) Without such a role in settlements, central banks, in their present form, would no longer exist; nor would money.' [terug]